Tuesday, January 01, 2008

Fataal gebrek aan engagement in "Hoe word ik wereldreiziger?"

Ik kreeg vandaag het boek "Hoe wordt ik wereldreiziger?" in handen. Het was een teleurstelling. Ik werd er zelfs een beetje triest van. Het boek blinkt namelijk uit in de totale afwezigheid van enige verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de reiziger. Als je dit boek uit hebt kan je alleen maar overtuigd zijn van de absolute vrijblijvendheid van het reizen. Volgens dit boek ik reizen een puur individuele aangelegenheid waarop enkel het particuliere belang van de reiziger(s) belangrijk is. Een achterhaalde en trieste visie en toch wel vreemd voor iemand (samensteller Marcel Gansevoort) die zelf zoveel gereisd heeft. Helaas ook een bewijs dat veel reizen helemaal geen garantie is voor enige persoonlijke verrijking of het opbloeien van nieuwe inzichten, zoals in het boek wel door diverse mensen beweerd wordt.

Op bladzijde 15 staat al meteen één van de eerste dooddoeners: "de moderne reiziger ontdekt geen continenten meer, maar vooral zichzelf." Misschien is dat net het grootste probleem: dat de reiziger alleen met zichzelf bezig is. Bovendien: hij of zij mag dan nog denken dat ze zichzelf 'ontdekken,' in de praktijk leren ze hoogstens enkele van hun fysieke en mentale grenzen kennen. Ken je jezelf dan wanneer je weet dat je moet kokhalzen van vieze toiletten of angst hebt van grote hoogten? Natuurlijk niet. Jezelf leren kennen doe je thuis, in je eigen omgeving, door interactie met anderen binnen bekende culturele patronen. Wie op reis vertrekt met de illusie van zelfontdekking reist niet met open vizier en vormt eerder een last voor de omgeving. Je kan onmogelijk oprecht geïnteresseerd zijn in de rest van de wereld wanneer die slechts het decor vormt voor je eigen zelfontplooiing. Hier is dan ook het fundamentele probleem met dit boek: het gaat alleen om het individuele verlangen naar zelfvervulling van de 'wereldreiziger.' Dat de persoon in kwestie zowel zichzelf, het milieu en alle anderen een grote dienst zou bewijzen door gewoon thuis te blijven wordt in dit boek zedig verzwegen.

Nochtans geeft Ton Van Egmond, sociaal psycholoog en docent duurzaam toerisme, enkele aanduidingen in zijn voorwoord: "over het algemeen gaat het om vluchtige ervaringen. Tijdens een verre reis bespreken mensen al waar de volgende reis heengaat. Thuis zijn ze alles snel weer kwijt." In dezelfde paragraaf schrijft ie: "reizen heeft een enorme impact." Klopt, denk je dan. Maar Ton Van Egmond heeft het dan wel over de impact op de reiziger en niet waarover hij het zou moeten hebben nl. de mensen van de ontvangende landen en het milieu zowel daar als hier bij ons.

Momenteel is het internationale toerisme reeds verantwoordelijk voor 5% van de globale CO2 uitstoot. Het zou heel wat helpen als toeristen (of reizigers, want dat is hetzelfde, wat doorwinterde globetrotters ook mogen beweren) wat meer voor duurzame vervoermiddelen zouden kiezen en hun reisgedrag wat beter zouden plannen. Bijvoorbeeld: beperk je vluchten tot de grote afstanden, gebruik waar mogelijk het openbaar vervoer over de grond en beperk je actieradius ter plaatse. Een ander feit: in 2006 werd 733 miljard dollar verdiend aan toerisme. In de armlastige landen van het zuiden vloeide het overgrote deel van de inkomsten terug naar het Westen. Wat je daaraan kan doen als bewuste reiziger? Ervoor zorgen dat zoveel mogelijk van je geld in de lokale economie gaat. Ook al is het comfort wat minder in lokale horeca, je krijgt er onbetaalbaar meer waardevol menselijk contact mee. Tenslotte: toerisme is een verkregen voorrecht van de Westerse middenklasse. In de rest van de wereld kan enkel de elite reizen. Voor de grootste massa van de gewone mensen die je als reiziger tegenkomt is reizen een verre droom. Migranten die met veel moeite en vaak grote investeringen van heel hun familie naar ons toe komen maken geen vrijblijvende reis zoals wij dat doen wanneer we ‘de wereld gaan ontdekken.’ Het zou goed zijn als mensen daar voor hun vertrek op gewezen werd. In “Hoe word ik wereldreiziger” echter geen woord over dit soort wetenswaardigheden. Het is nochtans mogelijk om je reizen een duurzamer karakter te geven. Maar neen: enkel een lijstje met weetjes in de sectie "wel of geen wereldreiziger" waar je bepaald mistroostig van wordt.

Waarom dit gebrek aan engagement in "Hoe word ik wereldreiziger?" Schrik om de consument voor het hoofd te stoten, of om als wereldverbeterend en dus saai afgeschilderd te worden? Alsof we daar niet lang voorbij zijn. Alsof het ook niet hip kan zijn om met je verstand en je hart op dezelfde golflengte leven. Overigens doet zelfs Lonely Planet moeite om zich een duurzamer imago aan te meten door in hun gidsen reizigers te wijzen op hun verantwoordelijkheden.

“Hoe word ik wereldreiziger” van Marcel Gansevoort (Lannoo, 2007)

Lees verder...

Thursday, August 30, 2007

Islam en democratie – de angst voor het moderne; Fatima Mernissi

Meer dan 15 jaar voor Foaud Laroui en Sami Zemni schreef de Marokkaanse sociologe Fatima Mernissie al een knap boek over de verhouding tussen Islam en democratie. Het was kort na de eerste golfoorlog en de angst voor het Westen kreeg door de oorlog een nieuwe impuls onder de volksmassa's in het midden oosten en de Maghreb. De protesten werden echter heel éénzijdig voorgesteld door de Westerse media. De moslimwereld als monolithisch blok was geboren. Nu, 15 jaar later, is dat beeld alleen maar verergerd en hebben de extremisten ook de armslag gekregen die ze toen enkel nog in theorie hadden.

Ook het verhaal van Joris Luyendijk (“Het zijn net mensen”) wordt hier bevestigd: het verhaal van hoe de Arabische en Maghrebijnse régimes een status-quo handhaven: het handvest van de Verenigde Naties ondertekenen en thuis een dictatuur in stand houden waar onder meer gelijke rechten voor mannen en vrouwen een verre droom blijven. Ze doen dat door de Arabische volksmassa's er voortdurend van te overtuigen dat de Verenigde Naties een oord zijn van schijnheiligheid en manipulatie.

"De Islam is waarschijnlijk de enige monotheïstische godsdienst waarvan het wetenschappelijk onderzoek systematisch wordt ontmoedigd, om niet te zeggen verboden." Volgens Fatima Mernissi is dit omdat "een rationeel ingestelde islam niet in dienst kan gesteld worden door despoten." Daarmee is meteen duidelijk hoezeer de krachtsverhoudingen in de regio leunen op een manipulatie van de samenleving. Alles wordt gemanipuleerd door de machthebbers - een groot deel van de energie en de middelen die het land ter beschikking heeft gaat naar het controleren van de binnenlandse vijand. De taal en de religie zijn de belangrijkste instrumenten om de hoofden en harten van de bevolking op dezelfde lijn te houden. Voor Mernissi zijn de integristen van de moslimpartijen in die zin bondgenoten van de machthebbers die hen vaak heimelijk steunden. Maar ook dat 'bondgenootschap' is de leidende klasse in het gezicht terug ontploft. Door het uitblijven van enig perspectief op deelname aan de macht zijn sommige strekkingen geradicaliseerd en hebben ze gekozen voor het extreme geweld dat we gezien hebben de laatste jaren.

Hier in Europa breken we ons het hoofd over de vraag waarom mensen tijdens zg. ‘verkiezingen’ telkens weer kiezen voor meer van hetzelfde. Het adagium heet dan dat mensen de leiders krijgen die ze verdienen. Enerzijds kan je je afvragen of ze wel een keuze hebben. Bestaat er een serieuze oppositie dan is die vaak dusdanig gemuilkorfd dat ze in het publieke debat niet aan bod komt. Meestal is het kiezen tussen de pest en de cholera. Fatima Mernissi heeft nog een andere verklaring: "de angst voor het moderne," meteen de ondertitel van haar boek.

Danse Macabre rond de UVRM

"Het humanisme van de 20e eeuw, dat overal elders gevierd wordt als een triomf van de creativiteit en een ontplooiing van het individu, wordt ons verboden onder het voorwendsel dat het vreemd is. En het obscurantisme wordt ons voorgehouden als een ideaal dat verdedigd moet worden." Mernissi slaat de nagel op de kop. Als natuurlijk de waarden uit dat humanisme nog steeds worden voorgesteld als een westerse uitvinding waarop de westerse hemisfeer het patent heeft… Als vervolgens uitsluitend het westen de 'correcte' invulling mag bepalen dan blijven we ter plaatse trappelen. De waarden waarvan sprake zijn geen kwestie van politiek: ze worden met name samengevat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM).

Het verhaal van hoe de moslimstaten omgaan met die UVRM is dan ook een echte maskerade, een ‘danse macabre’ voor de eigen bevolking. Alhoewel de Egyptische republiek de internationale verdragen heeft ondertekend deed ze dat onder het voorbehoud dat de regels niet in tegenspraak mogen zijn met de Sharia. Met haar eigen aanvullingen op de internationale teksten hebben ze een achterpoortje gecreëerd dat hen toelaat een zetel te hebben op de Verenigde Naties en tegelijk op het binnenlandse vlak de originele teksten bij te stellen waar het hun uitkomt. En dat terwijl de regels van de UVRM helemaal geen nuancering verdragen. Voor hun eigen bevolking verliezen de verdragen ondertussen totaal hun geloofwaardigheid. En dat is precies de bedoeling. Het is pure manipulatie vanwege de régimes. Mernissi: "Wij beginnen ons leven met de overtuiging dat de vrijheid van mening begrensd is en streng bewaakt moet worden." Het respecteren van de mening van een ander is m.a.w. een vreemde gedachte – het belang van de groep heeft immers voorrang. Dit laatste is een kenmerk van traditionele culturen maar in Islamitische landen stimuleren de régimes deze reflex ter hunner voordeel.

Het Islamitische sociale contract

Wanneer Mernissi begint na te denken over de oorsprong van de Islam wordt het pas echt interessant. De auteur is niet voor niets sociologe, ze gaat dan ook op zoek naar de sociale omstandigheden ten tijde van de revolutionaire boodschap die de profeet Mohammed bracht. Het Islamitische sociale contract dat werd gesloten toen de profeet Mekka veroverde ging over vrede tegenover vrijheid. Die pre-islamitische vrijheid was die van het veelgodendom: de wanorde van de idolencultus waarbij iedereen zijn eigen afgod had. Een wereld waarin geweld tussen de Arabische stammen een alledaagse realiteit was.
Binnen de Oemma (de Islamitische gemeenschap) bestaat een heilige schrik voor een terugkeer naar de pré-islamitische wereld van geweld en chaos. Die schrik wordt uitgebuit door de régimes die de vrijheid waar het westen steeds mee zwaait vereenzelvigen met anarchie. Artikel 18 van de UVRM luidt nu net als volgt: "Eénieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen." Deze vrijheid of 'shirk' is precies wat de Mekkannen in 622 afzworen. In ruil daarvoor garandeerde Allah vrede in de stad waar het grootste probleem het geweld was.

Volgens Mernissi bestaat het "geniale van de Islam" erin dat ze niets verwerpt, het gaat met name om een wankel evenwicht. De vrede wordt voortdurend bedreigt omdat het gevaar van binnenuit komt en inherent is aan de menselijke aard. Het gaat er dus niet om de menselijke begeerte buiten te sluiten of uit te roeien. Die begeerte moet zodanig in de hand gehouden worden dat ze de 'hoedoed' of heilige grenzen niet overschrijd. In normale tijden is binnen het kader van een bepaald evenwicht alles mogelijk, zolang de veiligheid van de groep niet in gevaar komt. Individuele uitspattingen kunnen in bedwang gehouden worden. "Handel en weeg af," (bezint eer gij begint) zou zowat de belangrijkste boodschap zijn die Islamitische moeders en onderwijzers hun kinderen dagelijks inprenten. Dat verklaart de losse manier waarop vele moslims vaak omgaan met hun geboden zoals bijvoorbeeld rond alcohol of homoseksualiteit. De oplossing ligt in het vermogen van de groep tot onderling begrip en eenwording. Dit is het wat de islam volgens Mernissi haar "pragmatisch karakter" geeft. Daarom is het volgens de auteur zo moeilijk om Islam los te zien van politiek. Je kan zeggen dat de huidige machthebbers profiteren van die traditionele vermenging. Een samenleving die echter enkel bezig is met het bewaren van het evenwicht neigt makkelijk naar immobilisme. Eén van de grote voordelen van de moderniteit is dat mensen hun samenleving organiseren volgens regels die ze samen afgesproken hebben. Die regels worden wel verondersteld om strikt gevolgd te worden maar als de consensus in de samenleving groot genoeg is dan is er steeds ruimte voor verandering. Zo'n systeem laat in theorie vooruitgang toe en nieuwe oplossingen voor nieuwe problemen in een samenleving die steeds evolueert.

Doorheen het hele boek geeft Fatima Mernissi talloze voorbeelden van hoe de régimes de taal misbruiken om begrippen zoals politieke partijen in diskrediet te brengen. 'Hizb' (partij) en 'sjia' (groep die een afwijkende mening heeft) zijn woorden met een sektarisch karakter die verwijzen naar het verzet tegen de Ene, door de tegenstanders van Mohammed de profeet. Politiek pluralisme als bedreiging voor de eenheid van de Oemma, een voorbode van de dreigende terugkeer naar de chaos van voor het jaar 0 van de Islamitische jaartelling.

Aql, Raj en crisis

En toch bestaat er een traditie in de Islam die uitkomst kan bieden: de begrippen 'aql' (rede) en 'raj' (persoonlijke mening) zoals de Moetazilieten en de filosofen voorstelden. De Moetazilieten beargumenteerden zelfs dat de Koran niet eeuwig was... Hun glorietijd was een periode van pak weg drie en een halve eeuw waarin de Arabische filosofie absoluut superieur was aan alles wat er op dit gebied werd geproduceerd in het westen. Die periode werd in de Middeleeuwen echter met geweld afgewezen en vooruitgeschoven naar de 20e eeuw. De nationalisten die na de onafhankelijkheid de idee van de parlementaire democratie wilden adopteren kregen snel het deksel op de neus: de nieuw ontstane staten legden de nadruk op het belang van eenheid, verklaarden de binnenlandse oppositie de oorlog, zette de oppositieleiders gevangen en censureerde de intellectuelen.

Wat dan met het fundamentalisme? Zoals iedere progressieve intellectueel is Mernissi keihard: "Het fundamentalisme verlaagt de intelligentie tot het niveau van de emotionele en dierlijke reflexen. Ze vernieuwt de geest van de Islam niet maar maakt het geloof tot een rouwstoet van verstarde dromen, die doodloopt in het woestijnzand." Wanneer beweerd wordt dat het fundamentalisme alleen van binnenuit vernietigd kan worden gaat men er van uit dat de rest van de bevolking alles passief en zonder tegenwerking duldt. Daarmee wijst men in het westen elke verantwoordelijkheid voor de zaak af. De Islamitische volksmassa's vechten dagelijks tegen onverdraagzaamheid en autoritair gezag. Om dat te weten moet je gewoon de rapporten van Amnesty International er op na lezen: daarin lees je over mensen die zich verzetten, hun stem laten horen, en alleen al daarvoor in de gevangenis belanden.

Dat sommige Arabische universiteiten recent kweekscholen zijn geworden voor militant fundamentalisme kan verbazend klinkend maar is precies te wijten aan de politieke ambivalentie tegenover de idee van vrijheid als zg. onverenigbaar met de Islamitische identiteit. En verder het gebrek aan investeringen in een wetenschappelijke infrastructuur. De Arabische régimes investeren liever in wapens en andere technologische producten uit het westen.

Islam en vrouwenrechten

Het meest problematische aan de islamitische wereld is wellicht de discriminatie van de vrouw. Mernissi schrijft ook deze toe aan een angst voor de 'djahilija,' de pré-islamitische chaos. Als vrouw die opgroeide in één van de laatste familiale harems in het Marokkaanse Fès kent Mernissi als geen ander het isolement van de Islamitische vrouw. Ze kent ook de binnenkant van de sluier. Haar hypothese over het ontstaan van die gewoonte om het vrouwelijke weg te stoppen achter een sluier heb ik nog nergens anders gelezen. Het veelgodendom ten tijde van Mohammed kende volgens sommige bronnen nogal wat vrouwelijke godheden die bloeddorstig van aard waren. Er is sprake van mensenoffers en kindermoorden. Ook het levend begraven van babymeisjes zou bestaan hebben. Mernissi: "De idee van een godheid die de moord van een kind eist was onvoorstelbaar, en deze 'fobische' houding verklaart volgens mij waarom tot vandaag de dag de angst voor de djahilija zo groot is dat elk wetenschappelijk onderzoek naar deze periode wordt vermeden." Met andere woorden, de Islamitische vrouw heeft haar isolement te danken aan haar voormoederlijke goddelijke alter-egos. Althans, dat is één mogelijke factor.

Discriminatie en repressie van vrouwen is een traditie in het historische kalifaat. Verschillende Kaliefen hebben zich tijdens hun regering bedient van de eenvoudige gelijkstelling ‘vrouwen en wijn = problemen.’ Dat maakte de oplossing voor elke crisis wel heel makkelijk: verbied wijn en hou vrouwen aan de haard. Die operatie stond bekend onder de naam ‘tathir’ – de rituele reiniging van het sociale lichaam. Mernissi: “Het verband in de historische herinnering tussen crisis, catastrofes en tathir is zeer sterk.”

In de 20e eeuw kende vrouwenrechten een opstoot in de Arabische wereld. Zo bestond in het Egypte van de jaren ’20 reeds een virulent feminisme dat niet onder deed voor de krachtigste stemmen van hun zusters in het westen. Na de tweede wereldoorlog kende de Islamitische wereld een ware stormloop van vrouwen naar de universiteiten. De percentages vrouwelijke professoren liepen gestaag op: 19% in Iran, 25% in Pakistan en 24% in Algerije (cijfers in 1984) – hogere percentages dan veel Europese landen op dat moment. De aard van het instituut als een oord van relatieve vrijheid, intellectueel maar ook in het dagelijkse leven, een plek waar vrouwen respect konden afdwingen en waar ze van op hun academische minbar (kansel in de moskee)kon prediken, schrijven en protesteren. Een oord ook waar na de onafhankelijkheid het meeste aantal progressieve mannen te vinden waren en dus potentiële medestanders.

Dit zijn de vrouwen waar fundamentalisten evident het meeste schrik van hebben. Vandaar het verbale vitriool van hun woordvoerders. En tot ver in de jaren ’90 werden ze daar heimelijk in gesteund door de regeringen van moslimstaten die zich in crisis bevinden. Volgens Mernissi is de hijab (hoofddoek) zelfs een instrument van de régimes om aan arbeidsverdeling te doen. Door vrouwen te verplichten een hijab te dragen doen ze aan arbeidsverdeling omdat ze daarmee vrouwen van de arbeidsmarkt zouden verbannen: “Elke moslimstaat kan (op die manier) zijn officiële aantal werklozen met de helft verminderen.” Een bewering die wellicht overdreven is gezien ook in vele Arabische landen vrouwen met hoofddoek gaan werken.

De Universele Cultuur

Over de verantwoordelijkheid van het westen zegt de auteur: “de universele cultuur is de zaak van diegenen die de monopolies bezitten. Het westen kan alleen een universele cultuur creëren wanneer het afziet van zijn vlaggen. De dans rond de sterren, het wetenschappelijke en technologische feest, is niet universeel, het is een tribale dans rond de Amerikaanse vlag.” Op flessen getrokken natuurlijk maar niet onterecht. Het feit dat het westen angstvallig zijn technologische voorsprong bewaakt en bovendien de knapste koppen systematisch weghaalt getuigt van die houding.

Mernissi’s commentaar over het karakter van de elektronische technologie kan niet anders dan gedateerd klinken – “niets anders dan communicatie en een stroom van informatie.” In 1992 was het internet nog nauwelijks meer dan een embryo van wat het nu is, anno 2007. Hele ‘communities’ die ontstaan, nieuwe verbindingen tussen mensen – blogs en wiki’s, een duizelingwekkende hoeveelheid informatie aan je vingertoppen. Met websites in het Chinees, Arabisch en Swahili. Ook al is de technische basistaal vooralsnog Engels, in het dagelijks gebruik is de dominantie van die westerse taal tegen hoog tempo aan het verwateren. En die evolutie was in 1992 nog niet te voorspellen. De Amerikaanse futuroloog Alvin Toffler zei dat “macht en rijkdom per definitie het voorrecht zijn van de sterksten en de rijksten, terwijl kennis de revolutionaire eigenschap bezit dat zelfs de zwaksten en de armsten haar kunnen verwerven. Zij is dus de meest democratische van alle bronnen van macht.” Mooi, maar wel evident theoretisch. Want het verwerven van kennis vraagt investeringen. In onderwijs en andere basisvoorzieningen. Een kind dat elke dag moet bedelen om te overleven zal nooit toekomen aan het verwerven van kennis.

Als Westerse staten hun invloed aanwenden om de status-quo te bewaren en de régimes te versterken in plaats van aan te zetten tot democratisering dan wordt het obscurantisme verheven tot het moderne erfgoed van de Arabische jeugd. De blinde gehoorzaamheid wordt dan geïnstalleerd als politieke basis. En zo waarschuwt Mernissi profetisch (in 1992!): “in dat geval is het westen grotendeels verantwoordelijk voor het geweld dat los zal barsten over diegenen die democratie eisen, met name de vrouwen.”

Islam en democratie – de angst voor het moderne; Fatima Mernissi - ISBN 90-5226-366-3
De pocket uitgave van De Geus dateert van 1996 maar is nog te bestellen in de handel.

Lees verder...

Tuesday, April 17, 2007

"Laten we ophouden de dingen door elkaar te halen" - Fouad Laroui schreef een persoonlijke weerlegging van het Islamisme

Faoud Laroui is één van de bekende stemmen die zich in 2006 hebben uitgelaten over het Islamisme. Laroui is een Nederlands schrijver en wetenschapper van Marokkaanse origine. Hij noemt zichzelf een agnost en weigert in ieder geval aangesproken te worden als lid van de moslimgemeenschap. In Vlaanderen is de man relatief onbekend maar dat is onterecht want zijn visie als seculiere intellectueel is alleszins interessant. Met zijn boek "over het islamisme" schreef hij "een persoonlijke weerlegging" en dat geeft al aan dat het geen wetenschappelijk boek is. Wel een hartstochtelijk pleidooi voor een individuele geloofbeleving. Zijn missie: de jonge moslim weghouden van de fundamentalistische strekkingen in de Islamwereld. Die laatsten moeten het daarbij zwaar ontgelden.


Fouad Laroui zag ooit een wetenschappelijk medewerker op de Marokkaanse televisie beweren dat de geologie als wetenschap haar oorsprong vond in de Koran. Als wetenschapper is Laroui goed voorzien van argumenten om de zaak "wetenschap versus religie" voor eens en voor altijd naar het rijk van de demagogie te verwijzen. Zijn vaststelling: de beide domeinen zijn onontkoombare maar niettemin volstrekt gescheiden onderdelen van de menselijke ervaring. Religie werkt met dogma’s en staat buiten tijd en geschiedenis. Wetenschap werkt met paradigma's die slechts gelden tot ze weer worden weerlegd door nieuw bevindingen. Dat zijn twee totaal verschillende uitgangspunten. Overigens gebruikte zelfs Charles Darwin - baarlijke duivel voor creationisten en fundamentalisten aller landen - in zijn "De oorsprong van alle soorten" het woord schepper: "er zit een bepaalde grootsheid in deze kijk op leven... door de schepper ingeblazen in één vorm of meerdere vormen." Met andere woorden, de wetenschappelijke theorie sluit God niet uit. Het is een veel voorkomende misvatting bij Islamisten: de zogenaamde historische interpretatie van de heilige teksten, van álle heilige teksten overigens. Alsof je Koran, Bijbel of Talmoed kan lezen als een geschiedenisboek. Laroui geeft talloze voorbeelden van soera`s (verzen uit de Koran) waar historisch kop noch staart aan te maken valt. Aangehaalde gebeurtenissen die van een ongehoorde banaliteit zouden getuigen als ze historisch bedoeld zouden zijn. Zoals wat er moest gebeuren "met de buit na de slag in de Badrvallei. Islamisten die deze teksten letterlijk lezen weten niet waar ze het over hebben," benadrukt Laroui.


Het ‘gevaar’ van het groepsgevoel

Mijn grootste bezwaar op dit anderszins mooie essay is het probleem dat de auteur maakt van alle uitingen van geloof die het strikt individuele overstijgen. Fouad Laroui start zijn betoog door een opdeling te maken tussen godsdienst en geloof. Voor hem is het eerste de collectieve beleving van het geloof, wat hij nogal schijnt af te wijzen: "Godsdienst is dat wat ons bindt, wat een wij onderscheidt van een zij." En vervolgens: "Wij en zij. Wij tegen hen. En daarmee beginnen de problemen, wantrouwen, haat, oorlog." Met die gelijkstelling gaat hij volgens mij uit de bocht. Omdat hij een aantal belangrijke functies van elk religieus systeem negeert. Een godsdienst is ook een waardensysteem en een verbindend element tussen mensen. Zoals Laroui zelf vermeld, de tafelen der wet die God zowel voor Joden, Christenen als Moslims openbaarde, bevatte duidelijke ethische waarden. Door de definiëring van deze waarden aan een hogere kracht toe te wijzen hebben samenlevingen van mensen ook het belang van die waarden willen benadrukken. En dan gaat het niet over pietluttigheden zoals hoe je een bepaald kledingstuk al dan niet moet dragen maar wel over "gij zult niet doden." Het collectief beleven van deze waarden, die overigens in alle culturen terugkomen, geeft mee vorm aan de manier waarop mensen samen leven. Ook het gezamenlijk beleven van rituelen is een belangrijk element, zelfs al hebben die rituelen dan niet voor iedereen dezelfde diepe betekenis - het zijn beproefde manieren om stil te staan bij de dingen, het leven zoals het is of zoals we het dromen. Een ritueel is een krachtig middel dat ons toelaat ernstig te zijn en je over te geven aan íets dat hoger is dan jezelf. Godsdiensten bieden de mogelijkheid om 'veilig' rituelen te beleven.

Als de auteur tenslotte 'wij' tegenover 'zij' plaatst drijft hij zijn redenering wel erg ver door. Het is altijd eenvoudig voor een polyglot intellectueel, een wereldburger die niet aan één plaats gebonden is maar die niettemin zijn hoofdverblijf in het comfortabele Amsterdam heeft om schamper te doen over gemeenschappen die samen hun godsdienst beleven. Conflicten gaan zelden écht over godsdient alhoewel het, toegegeven, vaak misbruikt wordt als dekmantel, zoals Laroui zelf aangeeft wanneer hij het heeft over de Deense Mohammed cartoons. De ophef die de cartoons veroorzaakte was grotendeels georkestreerd door de régimes in Syrië, Iran, Beiroet en andere plaatsen. Het zijn politieke régimes die hun gebrek aan legitimiteit proberen te compenseren en godsdienst schaamteloos uitbuiten om te demonstreren dat regering en volk zg. op één lijn staan... Sociaal-economische en politieke spanningen vinden op die manier een uitweg.

Wat is dan geloof volgens Laroui: geloof is het aller-individueelste maar ook moeilijk in woorden uitdrukbare 'oceanische gevoel' (dixit de atheïst Sigmund Freud) dat zich soms meester maakt van een mens. Een 'kosmische religiositeit' (dixit Albert Einstein) die je met je verstand niet kan vatten. Meteen het argument om fundamentalisten het gras voor de voeten weg te maaien: voor hen staat er een gelijkheidsteken tussen woorden en de wereld, m.n. de woorden van de heilige teksten. Maar wat dan met het onbenoembare? Fundamentalisten zijn charlatans, dilettanten die niet weten waarover ze het hebben, zegt Faroui.

Het voorbeeld van de geschiedenis

Zoals elk progressief mens die de Islamitische geschiedenis een beetje kent heeft Laroui heimwee naar de eerste drie eeuwen van de Islam, de glorietijd toen men ook in Europa met bewondering opkeek naar de moslimwereld die zich uitstrekte van Andalusië tot Indonesië. Eén van de bekende uitspraken van de profeet die toen werd gehuldigd: "de inkt van een geleerde is waardevoller dan het bloed van een martelaar."Als we dan toch nood hebben aan een godsdienst naast geloof, zo zegt Laroui, laat het dan deze vorm hebben. En ook hier haalt hij een hele reeks verzen aan uit de Koran die de tolerantie en het gezond verstand van de Islam in die eerste periode kunnen demonstreren. Deze periode werd belichaamt in de toen geldende leer van het Moetazilisme, die het verstand een centrale plaats gaf in het 'officiële moslimdenken.' Een zeer logische redenering, want als de mens niet volstrekt vrij was in zijn denken, dan zouden goddelijke beloning en bestraffing geen enkele zin hebben. In dezelfde periode schreef de veel bewierookte Ibn Roesjd (Averroës) in Andalusië zijn fatwa (juridisch advies) 'Fasl al-Maqal' waarin hij filosofie aanbeval als de manier om God en zijn werken te leren kennen. In geval van een tegenstelling tussen rationele wetenschap en geloof dient men te kiezen voor het verstand... Ook stelde hij: "de filosofie is vele malen belangrijker dan de theologie." Een andere verlichte Islam filosoof uit die tijd was Ibn al-Muqaffa: "God heeft zich beperkt door hun de gunst van een godsdienst te verlenen (..) Vervolgens liet hij het in alle vrijheid aan het eigen inzicht over om de beslissingen en maatregelen te nemen die niet binnen dit algemene kader vallen."Dat hele machtige ideeëngoed werd verworpen in de 10e eeuw door de Asjarieten die vonden dat de morele waarheden zijn vastgesteld door God en slechts via openbaring aan de mens kunnen worden meegedeeld. Voor Laroui is toen de achteruitgang ingezet, enkele honderden jaren voor de ideeën van de verlichting in Europa opgeld maakten.

Als je een overzicht wil geven van de geschiedenis van de Islam kan je niet om de Kaliefen heen. Toen Kemal Atatürk in 1924 een einde maakte aan het Kalifaat in zijn nieuwe Turkije onthoofde hij daarmee de Islamitische wereld, tenminste in theorie want de macht van de regerende Kalief was toen al lang tanende. De instelling oefende een wereldlijk gezag uit maar de Kalief beriep zich steeds wel op een zekere verwantschap met de profeet. Fouad schetst op enkele bladzijden een grim beeld van de bloederige geschiedenis van de opeenvolgende Kaliefen. En meestal dichtten ze zichzelf wel degelijk religieuze autoriteit toe. De auteur vraagt zich af hoe je de opeenvolgende dynastieën kan verzoenen met "de vertegenwoordiger van God op aarde te zijn." Onder de fundamentalistische groepen leeft de idee wel degelijk om het instituut opnieuw in te voeren en dat bewijst volgens Fouad eens te meer hun ideeën armoede: "Een Kalief, om wat te doen?" zo noteert hij ironisch. Dan haalt hij Ali Abderraziq erbij, een rechter en theoloog die in 1925 overtuigend aantoont dat godsdienstige en religieuze zaken best gescheiden gehouden worden. Kan de oemma (de Islamitische gemeenschap) überhaupt met de Koran in de hand geleid worden? Een zeer actuele vraag die dringend dient beantwoord door gezaghebbende sprekers binnen de Islamitische wereld...


Mens en geloof

Voor Laroui is het eenvoudig: trek gewoon een denkbeeldige cirkel rond jezelf als individu en trek je niets aan van wat daarbuiten gebeurt. Dat lijkt een extreem geval van assimilatie met moderne waarden maar nee, zegt Laroui, de opkomst van de Islam luidde net de tijd van het individu in tegenover de tijd van de voorvaderlijke stamverbanden. Hier haalt hij de historische context erbij uit de tijd van Mohammed. Deze wilde de mens bevrijden uit de groepmoraal van de tribale stamverbanden. Het leven in de woestijn was hard en eigenschappen die de groep vooruit konden helpen genoten dan ook de voorkeur. Eén van die pre-islamitische uitingen van het tribale gewoonterecht is de eremoord op vrouwen. De eer van de stam zat ook tussen de benen van haar vrouwen, zegt Laroui plastisch. Volgens hen die een letterlijke lezing van de Koran voor staan, de fundamentalisten, is het individu slechts een 'abd,' een slaaf, onderworpen aan Gods wil...

Eén van de vreemde verhalen die de ronde doen over het fundamentalistische discours is de kwestie van de 70 maagden - bij ons in het westen meestal meewarig bekeken - vergelijkt Laroui met een fruitwinkel. De befaamde hoeri's in de Koran berusten volgens een Duitse taalgeleerde op een historische schrijffout. En zo verandert een zin als "in deze tuinen zullen zij met gelouterde vrouwen verkeren" in "zij zullen er allerlei soorten reine vruchten aantreffen." De fascinatie van mannen voor de maagdelijkheid van vrouwen schijnt trouwens in de veel culturen een belangrijk gegeven te zijn. Een gegeven dat aantoont hoe belangrijk een gender-perspectief is voor een evoluerende samenleving. Voor vrouwen is die maagdelijkheid immers geen natuurlijke toestand, geen begerenswaardig goed op zich. Wat er ook van zij, volgens Laroui heeft dat in ieder geval ook weer niets met God te maken.

Op het einde laat de auteur zich nog eens gaan in zijn aversie tegenover wat hij 'groepsgevoel' noemt, "wat vandaag een grotere bedreiging van de rust van de burgers vormt dan wat dan ook." Een betwistbare veronderstelling, ook al vind Laroui dat ze "vast staat." En wat bedoelt hij met de "rust van de burgers," die hij zo bedreigd weet. Ondanks zijn uitgebreide kennis en zijn goede ideeën begint zijn discours hier wat gelijkenissen te vertonen met dat van een verzuurde burger die aanstoot neemt aan het lawaai van een speelplaats naast zijn huis.

Fouad Laroui wil jonge mensen er vanaf houden om te vallen voor het islamisme. Een verdienstelijke doelstelling. Hij wil dat ze kiezen voor geloof en tegen godsdienst. Is het dan wel zo verstandig om alle uitingen van godsdienst zo te verketteren? En dat in een verder zo erudiet geschreven boek? Wat mij betreft kan je dit boek ook perfect beschouwen als een mooi pleidooi voor geloof en de vreedzame coëxistentie met wetenschap. De zure oprispingen daar kan je best rond heen lezen.

Over het Islamisme – een persoonlijke weerlegging
Fouad Laroui, 2006
ISBN 90 445 0852 0
Uitg. De Geus

Lees verder...

Tuesday, January 30, 2007

Politieke Islam, 9/11 en jihad - Sami Zemni

Dit boek zou prominent moeten figureren in de literatuurlijstjes van iedereen die in dit land met buitenlands beleid bezig is. Diplomaten, adviserende beleidsorganen en politici zelf kunnen er heel wat uit opsteken, vooral als het gaat over de relaties met het midden-oosten. Maar ook de minister van binnenlandse zaken die wel eens 's nachts wakker ligt van zogenaamd 'moslimterrorisme' zou het werk best laten bestellen door zijn kabinetchef. Tenminste als ze bereid zijn verder te kijken dan de heersende consensus die de islam louter bekijkt als de nieuwe vijand bij uitstek en onverenigbaar met democratie. Als populair wetenschappelijk werk is de tekst niet gespeend van wetenschappelijk jargon, wat eigen is aan het genre. Maar de vlotte schrijftrant en de consistente lijn van het vertelde verhaal maakt het boek toch heel leesbaar. De dwingende oproep van de auteur, namelijk om de idee van een 'botsing der beschavingen' naar de papierversnipperaar te verwijzen, wordt er vooral door onderstreept.

De auteur steekt van wal met een essentieel stukje wetenschapskritiek. Ten eerste beschrijft hij de moderne opsplitsing van de bestudering van het menselijk gedrag in verschillende kentheoretische disciplines zoals sociologie, economie en politicologie; daartegenover staat de monolytische en reductionistische benadering van de antropologie en het oriëntalisme waarmee niet Westerse samenlevingen werden en worden bestudeerd; vervolgens haalt hij het baanbrekende werk 'Orientalism' aan van Edward Saïd dat de Westerse benadering van andere culturen fundamenteel bekritiseerde. Het oriëntalisme bestudeerde de samenlevingen in Noord-Afrika, het Midden- en het Verre Oosten puur op basis van de teksten die er waren en werden geproduceerd. Eenmaal men die teksten kende, kon men weten hoe de 'andere' denkt en functioneert. Sami Zemni wil met dit boek aantonen dat dat voor een belangrijk deel nog steeds zo is. In plaats van wetenschappelijk verantwoord en dus empirisch onderzoek te stimuleren naar hoe deze samenlevingen functioneren en wat hun burgers denken, blijft het beleid zich baseren op een oppervlakkige en bevooroordeelde kennis over het onderwerp. Ook al bestaan er ondertussen al wel relevante wetenschappelijke gegevens (zij het te weinig). Het is dan ook moeilijk opboksen tegen een gedateerd discours over de 'opkomst van het terrorisme' dat volledig gekaapt is door rechtse en conservatieve ideologen.

Eén van de gevaarlijkste premissen van het rechtse discours is ongetwijfeld het poneren van de 'cultuurgemeenschap' als basis voor een natie, waarbij het klassieke basisprincipe van het democratisch burgerschap wordt ondermijnd. Westerse democratieën verworden daarbij tot 'etnieën,' en we weten tot welke toestanden dit kan leiden (Rwanda, Zuid-Afrika, Israël). Maar ook liberale stemmen zoals Ayaan Hirsi Ali reageerden zeer negatief op de oproep voor nuance van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad: ze noemde hun rapport over de dynamiek van het islamitisch activisme "geen wetenschap maar kwakzalverij." Ik moest onwillekeurig denken aan Gerard Walschap die in zijn tijd de katholieke kerk voor 100% afwees, alhoewel de vergelijking verder niet opgaat want er bestaat geen islamitische kerk. Maar blijkbaar is het voor iemand als Hirsi Ali eveneens onmogelijk om nog genuanceerd over dit onderwerp na te denken.

De politieke islam zoals we die nu kennen is een modern gegeven, een verhaal dat startte met de Moslimbroederschap in Egypte, in de jaren '30 van de 20e eeuw. Haar woordvoerders kwamen uit de beter opgeleide klassen. Belangrijk was dat ze een nieuwe stem vertegenwoordigden die het machtsmonopolie van de heersende elite en het politieke establishment in vraag stelden. Ze waren de spreekbuis van een grote groep mensen die sociaal mobiel waren maar verstoken bleven van enige politieke participatie. En dat is de belangrijkste vaststelling om het succes van deze en latere islamitische bewegingen te begrijpen. Je zou kunnen zeggen dat, terwijl in Europa de ontvoogding van het gewone volk betracht werd via de marxistische ideologie die religie afwees, in Egypte net islam de bindende factor was voor een volkse emancipatiebeweging. Wellicht was de positie van de kerk als machtige instantie in Europa niet vreemd aan die situatie. In de islamitische wereld waren er alleen de seculiere regimes die de bevolking onder de duim hielden. Centraal in de opbouw van de organisatie was dat promotie gebaseerd was op inzet en niet op basis van sociale afkomst. Hassan Al-Banna, grondlegger van de moslimbroederschap, benadrukte steeds het belang van een meritocratie op basis van specifieke kennis als motor van de vooruitgang in plaats van de traditionele nadruk op afkomst. Dat is een bijzonder modern concept.

Sayyid Qutb, de tweede belangrijke ideoloog van de Moslimbroeders stelde: "Als in een maatschappij de soevereiniteit alleen Allah toebehoort, dan uit zich dat ook in de gehoorzaamheid aan de goddelijke wet; dan is iedere persoon in die maatschappij vrij van dienstbaarheid aan anderen en alleen dan kan hij de ware vrijheid proeven." Een soort religieus anarchisme misschien maar wel een delegitimering van de bestaande sociale hiërarchie...

Waarnemers die de islam zonder meer als een verstarde conservatieve religie afdoen weten niet waar ze het over hebben, zegt Sami Zemni. In ieder geval zijn recente oproepen tot een nieuwe Ijtihaad (het zoeken van nieuwe oplossingen voor juridische problemen zonder beroep te doen op de bronnen van de wetgeving) niet zo nieuw als je zou denken. Eerder zijn bestaande bewegingen uit het zicht gebleven van het Westen of wil het westen ze gewoon niet zien. Terwijl de bevolking geen enkele verbetering ondervond in haar povere levensomstandigheden ondanks opeenvolgende beloftes van een elite die moderne elementen importeerde uit het westen maar uiteindelijk vooral bezig was met het instandhouden van de eigen machtspositie. Het succes van de politieke islam is mee het resultaat van het falen van het marxistische, nationalistische en liberale discours.

Na de jaren van verspreiding in de jaren '80 namen de verschillende regimes het begrippenkader over van het islamisme. Terwijl ze een economisch liberalisme invoerden, vooral als strategie om hun macht te kunnen behouden, namen meerdere belangengroepen in de samenleving de termen islam en sharia over. Zemni pleit er voor om achter het discours steeds de verschillende groepen, interpretaties en belangen te identificeren - er schuilen 'werelden van verschil' tussen, zegt hij. De auteur stelt ook de onontkoombare vraag, "wat is de Sharia eigenlijk?" En daarop blijkt geen eenduidig antwoord te bestaan: het is alvast geen wetboek zoals we dat in Europa kennen. Volgens geciteerde wetenschapper Ben Negrissa, meer een 'betekenaar' in plaats van een 'betekenis.' Daaruit volgt dat het invoeren van de Sharia aanleiding was tot een heftig debat en er ondermeer een breuk ontstond met de gewelddadige groepen die ondertussen het licht hadden gezien (zie verder).

Na de 1e golfoorlog slaagde de politieke islam erin om zich in politieke partijen om te vormen en zo mee het politieke toneel te betreden tijdens de prille democratiseringsprocessen van de regimes. In het zelfde tijdsgewricht internationaliseerden de gewelddadige groepen door contacten te leggen met de Afghaanse Mujahidin. Die waren oorspronkelijk gefinancierd door de VS, Pakistan en Saudi-Arabië. Ze hadden in de jaren '80 gevechtservaring opgedaan in de strijd tegen de Sovjet-Unie. Daarna speelden de gewelddadige groepen in de nationale evoluties in het Midden-Oosten meer en meer een marginale rol. Ook vanwege de efficiënte repressie van de autocratische regimes.

Als Zemni het dan over de gewelddadige groepen heeft, en dat is sinds de jaren '90 toch de meest zichtbare vorm van islamisme in het westen, dan zitten er volgens hem (en andere collega's die het fenomeen bestudeerd hebben) twee belangrijke 'motoren' achter: ten eerste de zg. 'petro-islam' van Saudi-Arabië. Als reactie op de Sjitische revolutie in Iran legden de Saudi's een enorme bekeringsijver aan de dag in de hele islamitische wereld. Ze hadden er het geld voor. De Verenigde Staten zag in de zeer conservatieve vormen van de islam een ideaal middel tegen de 'socialistische' en 'progressieve' staten zoals Syrië, Irak en zelfs Egypte, zij steunden de Saoedische staat massaal. Wanneer ze in de grensgebieden tussen Pakistan en Afghanistan de islamistische vrijheidstrijders begonnen te steunen legden ze de basis voor een ongeleid projectiel dat de wereld nog heel zuur zou opbreken. Het verhaal van Osama Bin Laden als één van de grote financiers van deze beweging is een hallucinant element in het geheel maar historisch is hij wellicht geen uitzondering. Hij kon zijn fortuin jarenlang opbouwen onder de beschermende hand van de CIA, de Pakistaanse geheime dienst ISI en de Saudische prins Turki Ibn Fayçal en keerde zich later als een gevallen engel tegen zijn broodheren. Voor de gewelddadige groepen werkten Bin Laden en de Mujahidin als een magneet.

Een andere belangrijke factor is de globalisering. De meeste recruten voor de internationale gewelddadige strijd zijn ontwortelden en ontheemden. Ze staan los van de grote islamitische bewegingen en komen van overal. Bin Laden had ondertussen het geprivatiseerde en beursgenoteerde terrorisme uitgevonden. Labévière heeft het over "een affairistisch islamisme dat zich inschrijft in de netwerken van de transnationale georganiseerde misdaad, beschermd door fiscale paradijzen." Ondertussen zijn grote stukken van Afghanistan weer enorme producenten van heroïne geworden...

In het westen vergeet men intussen makkelijk dat 'globalisering' ook een gevolg is van bewuste beleidskeuzes. De deregulering, het uit handen geven van beleids- en controle instrumenten aan de vrije markt enz. Een en ander maakt dat het onderscheid tussen het zg. centrum van de Islam (het Midden-Oosten) en periferie (de rest van de wereld waar islamieten wonen, en dat gaat van de Europese hoofdsteden tot in Zuid-Oost Azië) zinloos geworden is. Zemni stelt vast dat het niet langer het 'centrum' van de islamitische wereld is die een hoofdrol speelt in de evolutie van het gewelddadig islamisme. De meeste recruten voor de gewelddadige groepen komen eerder uit Europa of Azië.

Illustratief voor deze laatste vaststelling zijn ook de recente politieke evoluties in het Midden-Oosten. Zo haalde de Al-Wasat partij in Egypte, de politieke erfgenaam van de moslimbroederschap, via haar onafhankelijke kandidaten (de partij is nog steeds niet erkend), 88 zetels binnen bij de verkiezingen van oktober 2005. Een belangrijke keuze van Al-Wasat is: "Aangezien het volk de bron van de macht is en het volk altijd verdeeld en pluralistisch zal zijn, kan het niet anders dan dat dit zich zou weerspiegelen op het politieke veld." Ze hebben dus geen ambitie voor een éénpartijsysteem. Het democratisch deficiet blijft, maar de islamitische stem komt stilaan aan bod.

Ook Marokko, waar het politieke landschap heel sterk gestuurd wordt door de koning, kennen de twee Islamitische formaties een interessante ontwikkeling. Sinds september 2003 oefent één van die formaties, de PJD (Parti de la Justice et du Développement) effectief de lokale macht uit in een aantal steden w.o. de oude keizerstad Meknes. De woorden van de burgemeester van deze laatste stad, Aboubakr Belkora, zouden recht uit de mond van iemand als Patrick Janssens kunnen komen: "Er bestaat geen islamistisch beleid. Er is een goed of een slecht beleid. Een goed beleid is gebaseerd op transparantie, eerlijkheid en competentie. En dat is wat we doen. De vruchten van deze politiek kunnen jullie zelf vaststellen, door doorheen de stad te wandelen." Ook al past het succes van de PJD in een strategie van de Makhzen (het politiek-administratieve apparaat rond het koningshuis dat het land regeert) om de "angel uit de partij" te halen, toch vormen ze een relevante en democratische stem in het openbare debat.

Algemene conclusie: het simplistische beeld van het islamisme als zijnde een per definitie ondemocratische en antiwesterse beweging is fout. Het is vandaag noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen de verschillende strekkingen en stromingen binnen het islamisme. Het feit dat de heersende regimes in Marokko, Egypte en Turkije zelf schoorvoetend deze partijen toelaten is een gezonde evolutie, zeker gezien de gewoonte van Westerse regeringen om de dictaten van de autocratische maar 'stabiele' regimes kritiekloos te aanvaarden.

De Frans-Zwitserse onderzoeker Patrick Haenni heeft het verder over 'marktislamisme.' Nog een tendens die schatplichtig is aan de processen van globalisering waarbij persoonlijk succes en het streven naar een (islamitische) welvaartstaat vooraan staat. Een cultuur die heel vergelijkbaar is met die van protestantse bewegingen in de Verenigde Staten. Met andere woorden, een cultuur die perfect strookt met het neoliberale gedachtegoed. De reactivering van de Zakat (islamitische aalmoezen) past hier perfect in, tegenover een sociale zekerheid georganiseerd door de staat, die daarin jammerlijk faalde de voorbije decenia. Het nieuwe merk muslimgear illustreert hoe de drager van deze nieuwe houding 'economisch efficiënt en politiek gedesengageerd' is. Het merk probeert een nieuwe vorm van 'muslimpride' te cultiveren.

Zoals ook al bleek op het seminarie van 15 december 2006 over 'Democratie in de Arabische wereld', is de scheiding tussen kerk en staat helemaal geen punt voor de politieke islam. Zemni wijst er op dat het in Europa evenmin gaat om een eenduidig concept maar wel om het resultaat van een historisch en lokaal ingebed conflict dat niet als een soort algemene maatstaf voor democratie kan gehanteerd worden. In dit verband zondigen Westerse sociologen nog al te vaak tegen de 'sociologische valstrik:' het discours van de geobserveerde wordt kritiekloos overgenomen. Met andere woorden, het is niet omdat het containerbegrip 'de eenheid van kerk en staat' door sommige islamitische tenoren graag in de mond wordt genomen dat dit nu de realiteit is of zelfs maar de wens is van 'de politieke islam.' Belangrijke historische werken over het kalifaat (de instelling die tijdens de zg. bloeitijd van de islam het wereldlijke bestuur van de samenleving organiseerde) zoals dat van Abd al-Raziq (1888-1966)zeggen overigens het tegengestelde: "de islam is een boodschap van God en geen systeem van regering, een religie en geen staat." De islam was m.a.w. een religie die zich kon verzoenen met om het even welk staatssysteem dat de moslims verkozen.

De gewelddadige islamistische groepen maken nu uitdrukkelijk gebruik van zelfmoordaanslagen. Een moderne uitvinding van de sjijitische strijders in Iran tijdens de oorlog met Irak. Van daaruit werd het geïmporteerd in de strijd tegen Israël door sjitische strijders van Hezbollah in Libanon. Daarna volgde ook Soennitische geradicaliseerde jeugd overal ter wereld.

Een belangrijk onderscheid zal wellicht blijven bestaan, nl. dit tussen de lokale strijders (Palestina, Libanon, Tsjetsjenië) en de globale jihad-strijders. Terwijl de laatsten een weerspiegeling zijn van de excessen van onze moderne wereld, kadert voor de eersten hun strijd binnen de idee van de ambitie op een natiestaat. Ze worden vooral getekend door de uitzichtloosheid op een billijke of rechtvaardige oplossing. Dat is vanzelfsprekend een groot verschil met de globale strijders die met hun blind geweld trachten de 'zinloze' Westerse eenheidsworst te overstijgen. Ze weten zich lid van een grotendeels virtuele gemeenschap, nadat ze meestal volledig gebroken hebben met familie en vrienden. Militanten die werden opgepakt bleken in hun verleden niet religieus te zijn geweest, wel kwamen ze vaak in contact met het gerecht. Een belangrijke consequentie voor het beleid is dan: "Het is niet via de politiek van islamisten of de religie dat de jongeren in Europa toetreden tot deze stroming. Hun ommekeer is eerder het gevolg van persoonlijke vernedering en soms zelfs nutteloosheid. Die gevoelens worden verlaten en vervangen door agressieve gevoelens van wraak. M.a.w.een subjectief psychologisch mechanisme ligt aan de oorzaak van dit soort terrorisme. De aantrekkelijkheid van de globale jihad ligt volgens Zemni en Olivier Roy vooral in het antiimperialisme. Dertig jaar geleden zouden dezelfde jongeren tot een extreemlinkse splintergroep zijn toegetreden... De bijna rituele onthoofdingen van al-Zarqawi en de zijnen zijn bijvoorbeeld afgekeken van de rode brigades, en hebben niets te maken met een vermeende gewelddadige islamitische geschiedenis.

Tenslotte eindigt Zemni met een veelzeggende waarschuwing: "als het humanisme er niet in slaagt om een Westerse zelfkritiek te combineren met een minimum aan empathie of meevoelen met de rest van de wereld, lopen we steevast af op nog meer geweld en onbegrip." We moeten in de eerste plaats stoppen met de andere te ontmenselijken. Interreligieuze en interculturele dialogen kunnen de spanning hoogstens wat milderen zolang bestaande onrechtvaardigheden niet worden aangepakt. We moeten dus dringend wat minder stilstaan bij het hoe van de rechtvaardiging en vooral kijken naar het waarom van de oorzaken.

Koen Stuyck

(Politieke Islam, 9/11 en jihad - Sami Zemni - Acco - Leuven, 2006)

Lees verder...

Thursday, January 25, 2007

Palestine & Palestinians: uitmuntende reisgids van de ‘Alternative Tourism Group’


Een toeristische gids exclusief over Palestina? Maar Palestina is toch geen land… kan dat dan niet als onderdeel van een gids over Israël? En overigens: “is het daar niet erg gevaarlijk met alleen maar stenen gooiende jongeren?” Dit soort gemeenplaatsen hoor je vaak als dit boek opduikt in een café-conversatie. De reacties tonen aan hoezeer ons gebrek aan kennis over dat Bijbelse land in het nadeel speelt van een volk dat in de internationale media dagelijks het onderspit moet delven. Het kan dan ook moeilijk anders dat de dagelijkse realiteit van dit onderdrukte volk aandacht krijgt in deze reisgids. Maar daarnaast blijkt het historische Palestina ook een zeer mooi land met een enorme weelde aan cultuurhistorisch erfgoed en bovenal een bevolking die je met open armen ontvangt.

Duurzaam toerisme begint vaak bij een goede reisgids. Palestine & Palestinians is precies dat: een heel leesbare en interessante gids, gemaakt volgens alle regels van het vak en goed voorzien van alle praktische informatie die je nodig hebt als reiziger. Gedetailleerde informatie over hotels, restaurants, (internet)cafés maar ook banken, boekenwinkels, postdiensten en diverse interessante organisaties.

De gids onderscheidt vijf regio’s: Jeruzalem, de bezette Westelijke Jordaanoever, de bezette Gaza strook, de bezette Syrische Golan-hoogte en tenslotte de ‘gebieden van 48.’ Met deze laatste regio bedoelen ze drie gebieden binnen het huidige grondgebied van Israël waar meer dan een miljoen Palestijnen wonen in kampen en niet erkende dorpen, dorpen die zelfs niet voorkomen op Israëlische kaarten. Het zijn vluchtelingen in hun eigen land, ze ontsnapten in 1948 aan de massale deportaties maar verloren evengoed hun land en hun huizen. Sindsdien zijn ze onderworpen aan een hele reeks discriminerende wetten en worden ze grotendeels genegeerd door de Israëlische overheid. De laatste 15 jaar nam de repressie op hun dorpen toe met geregelde aanvallen van boze Joodse Israëli. Dit stuk van de gids toont aan hoezeer Palestijnen deel uitmaken van het land tussen Middellandse Zee en Jordaan. De vele historische plaatsen, inclusief bekende namen zoals Accra en Safad getuigen van een eeuwenlange Palestijnse geschiedenis.

Het deel over Jeruzalem behandelt veel meer dan de historische stad binnen de 16e eeuwse omwalling van Sultan Suleiman al-Kanouni, beter bekend als Suleiman de Grote. Al zal je als bezoeker eerst en vooral onweerstaanbaar aangetrokken worden door de prachtige middeleeuwse stad met de gouden koepel van de rots die erboven uit torent. De verschillende wijken worden besproken met van alle culturele bezienswaardigheden de praktische info er meteen bij. Informatie over eten, slapen en transport is telkens achteraan het hoofdstuk te vinden. Maar ook de rest van Oost-Jeruzalem (waar de oude stad deel van uitmaakt), West-Jeruzalem en alle recente Israëlische aanhechtingen komen aan bod.
De Westbank is de strook land ten westen van de Jordaan dat het meest wordt geassocieerd met Palestina. Een strook die nog nauwelijks als dusdanig bestaat gezien de voortdurend verdere opdeling in steeds kleinere stukjes land door de bezettende macht. Oprukkende kolonies, de muur die stukken grond opslokt, de proliferatie van checkpoints, dat alles maakt dat het voor Palestijnen steeds moeilijker wordt zoniet onmogelijk om zich nog te verplaatsen. Als buitenstaander krijg je doorgaans nog steeds een voorkeursbehandeling door de militairen. Hier rondreizen zou je kunnen zien als een authentieke vorm van oorlogstoerisme en dus enigzins bedenkelijk maar reizigers die het meemaken getuigen van een aangrijpend e realiteit. Bovendien komen ze terug met verhalen van warme ontmoetingen met een volk dat ondanks haar dagelijkse miserie haar appreciatie laat blijken wanneer buitenlanders interesse tonen voor hun situatie. ATG en andere Palestijnse ngo's beschouwen elk bezoek aan hun gebieden als een vorm van solidariteit, m.a.w. ze hebben niet liever dan dat er mensen komen.
De Gazastrook is sinds het weghalen van de kolonisten niet meer opgedeeld maar zijn kleine oppervlakte en de totale controle van de Israëli's over zijn grenzen maken van het gebied in de praktijk één grote gevangenis. De bevolking verarmt ondertussen zienderogen, werken noch handel drijven is mogelijk en men leeft van buitenlandse, meestal Europese, hulp. Een bezoek aan de Gaza is een overrompelende ervaring zo vermeldt de reisgids. Er is wel degelijk heel wat te zien, het gebied is al duizenden jaren een kruispunt van heel diverse beschavingen. Maar wellicht zal een wandeling door het overbevolkte Gazastad met muren vol kogelgaten de grootste indruk nalaten.
De bezette Syrische Golanhoogte tenslotte is een gebied dat zo'n 1000 meter boven de zeespiegel ligt. In het noorden torent Mount Herman 2814 meter boven het drielandenpunt uit (Libanon, Syrië en de Golan). Een waterrijk gebied met stokoude verlaten dorpen, het beroemde middeleeuwse kasteel van Nimrod en veel appel boomgaarden.

Het boek wordt ingeleid met een stevig stuk geschiedenis maar ook geografie en cultuur komen ruim aan bod. Een apart hoofdstuk behandeld hot items zoals de bezetting, de muur (door de Palestijnen ‘apartheidsmuur’ genoemd, de Israëli spreken over ‘veiligheidshek’ – een 8 meter hoge muur van meer dan 200 km lang die aan elke kant 50 meter bufferruimte in neemt kan je echter moeilijk nog een hek noemen), de kolonies en de checkpoints. Allemaal begrippen waar je letterlijk onmogelijk rond kan als je door Palestina reist.
ATG organiseert zelf ook verblijven en begeleide rondreizen in Palestina. Ze werken daarvoor samen met het ‘Centrum voor Alternatieve Informatie’ (AIC) en het ‘Israëlische Comité tegen het vernietigen van huizen.’ Via hun reisprogramma’s kan je vele mensen ontmoeten maar krijg je ook een goed beeld van het Palestijnse verleden en heden. Je ervaart wat het leven onder militaire bezetting betekent. Tijdens het seizoen kan je meedoen met de olijvenoogst, één van de traditionele producten waarop de wankele Palestijnse economie berust.

Het boek (ATG, Beit Sahour, Palestina) kan je bestellen via het Vlaams Palestina Komitee: tel: 02-501 67 44 of vpk@VlaamsPalestinaKomitee.be
.

Lees verder...

Friday, September 29, 2006

Beelden uit het Midden-Oosten: “Het zijn net mensen” van Joris Luyendijk

Dit is een belangrijk boek. Vooral omdat Joris Luyendijk de euvele moed had om de journalistieke praktijk van het correspondentschap in het Midden-Oosten in zijn hemd te zetten. Hij doet dat door zeer eerlijk en open de praktische problemen te beschrijven die hij als correspondent ervoer en de confrontatie met zijn eigen twijfels niet uit de weg te gaan. Hij durft het aan die twijfels tot in zijn uiterste consequenties door te drijven, waarmee hij uiteindelijk de relevantie van zijn job in twijfel trekt én de pertinente vraag opwerpt of een deugdelijke nieuwsgaring wel mogelijk is in het Midden-Oosten. Dit boek veroorzaakt behoorlijk wat deining in Nederland en wellicht zal Luyendijk als ‘nestbevuiler’ niet zo snel nog bij zijn ex-collega’s aan de deur moeten komen. Na vijf jaar hield hij het sowieso voor bekeken. De specifieke invalshoek maakt dat ook Midden-Oosten specialisten dit boek wellicht zullen kunnen waarderen. Ben je als doorsnee consument van het dagelijkse buitenlandnieuws op zoek naar een pepmiddel voor je kritisch vermogen? Dan is dit boek het gedroomde medicijn.

In deel 1 beschrijft de auteur zijn ervaringen als nieuwbakken correspondent Midden-Oosten voor de Nederlandse NRC, de Volkskrant, het Radio 1 Journaal en het NOS Journaal. Van hem werd verwacht dat hij de hele regio volgde vanuit Caïro. Een opdracht die hem al snel deed stoten op de grenzen van de media in een land als Egypte. Uit de berichtgeving in de strikt gecontroleerde lokale media is nauwelijks iets interessants te halen. Als er een bomaanslag plaats vind in een buitenwijk van Cairo dan zul je dat sneller vernemen via de Westerse persbureaus dan op de nationale radio. Als journalist kan je wel de gewone Egyptenaar vragen stellen maar je kan niet extrapoleren want er bestaan geen officiële gegevens. Opiniepeilingen of statistieken bestaan niet of zijn niet toegankelijk en mensen vertegenwoordigen alleen zichzelf. Luyendijk’s boude stelling is dat de normale journalistieke praktijk eenvoudigweg niet mogelijk is in een dictatuur. Veel van de tv-correspondenten verworden snel tot “presentatoren ter plaatse” en niet meer dan dat, zo zegt hij. Dat wil zeggen dat ze vanuit hun redactie worden opgebeld met het nieuws van de dag, dat ze vervolgens de persberichten van de internationale persbureaus samen vatten en herhalen voor de camera met achter hen de skyline van een Arabische stad. De consequenties voor ons beeld van het Midden-Oosten zijn niet min: wat wij te horen of te lezen krijgen is bijna uitsluitend wat de internationale persbureaus interessant vinden om te brengen.

Luyendijk neemt ook de informanten op de korrel, lokale experten die zich vaak lenen voor commentaar op lokale gebeurtenissen. Hij heet ze ‘donor darlins,’ wat op zich genoeg zegt. Vele van deze mensen werken voor Westerse ngo’s of worden gefinancierd door Westerse overheden. Ze beheersen het discours dat in de westerse media furore maakt en hun boodschap is dan ook gesneden brood voor een journalist die daar niet al te veel van wil afwijken.

Het duurt tot blz. 103 voor de auteur zich aan enkele politieke analyses waagt, o.m. over het Bin Laden fenomeen en het waarom van zijn strijd. Een strijd die meer weg heeft van een klassieke burgeroorlog dan de apocalyptische ‘clash’ tussen beschavingen die men er in conservatieve Noord-Amerikaanse kringen van wil maken. Dat deze laatste verklaring gretig wordt geconsumeerd door de westerse publieke opinie betekent nog niet dat het de juiste is: maar losstaande feiten in de dagelijkse actualiteit worden dan ook heel makkelijk ingebed in geprefabriceerde verhalen die de politieke status-quo ongemoeid laten.

In deel 2 verhuist hij naar hét kruidvat in de regio. Er komt extra vaart in het correspondentschap van Luyendijk: hij gaat Israël-Palestina volgen. Eerst vanuit Beiroet, later vanuit Oost-Jeruzalem, een stap die andere correspondenten hem ten stelligste afraden want “in de bezette gebieden kun je nauwelijks bewegen.” Een probleem dat hij snel moet beamen maar dat hem aan de lijve doet ondervinden wat het is te leven onder de bezetting. Wat hem eerst opvalt is het hallucinante professionalisme van de Israëlische propagandamachine: het is dan ook vreemd dat hij één van de eerste journalisten is die dat professionalisme in detail beschrijft en wijst op de evidente gevaren voor de eenzijdigheid van de berichtgeving. Wat voor vele waarnemers logisch is blijkt voor een journalist als Luyendijk een verassing: tenslotte hangt Israëls levenslot af van de Westerse goodwill. Als vooruitgeschoven post in het zogenaamde ‘vijandige’ Midden-Oosten willen ze ten allen tijde de band sterk houden. En vermits in het westen nu éénmaal representatieve democratieën de plak zwaaien moet vooral de publieke opinie in die landen gunstig beïnvloed worden.

De Arabische landen hebben op dat vlak helemaal geen traditie en de régimes hebben dat gewoon niet nodig. Het zijn immers dictaturen. Hun bedoeling is enkel om de eigen bevolking eronder te houden of zoals Noam Chomski zei “de interne vijand beheersen” (al had Chomski het dan wel over de Verenigde Staten, nvda). Voor de relatie met het westen hebben ze de topconferenties en de preferentiële relaties met de westerse leiders en regeringen. Dit is een puur zakelijke relatie van wederzijdse belangen die elkaar in evenwicht houden. Met de westerse publieke opinie hebben ze niets te maken. Omgekeerd hebben westerse regeringen weinig te maken met de verdrukte bevolking van het Midden-Oosten ook al plegen ze lippendienst aan concepten zoals mensenrechten en democratie.

Palestina, dat is dan weer een speciaal geval. Want hier is de onrechtvaardigheid van de bezetting moeilijk te negeren, zoals Luyendijk snel ondervindt. En dan nog slaagt Israël erin om de zaak voor te stellen als een ‘conflict tussen gelijke partijen,’ precies door die professionele propagandamachine en de quasi onvoorwaardelijke steun van pro-Israëlische lobbygroepen in alle belangrijke westerse hoofdsteden. Het haast traditionele amateurisme van de Palestijnse overheid om haar zaak te bepleiten heeft met verschillende zaken te maken, zo toont de auteur aan: In tegenstelling tot de omliggende dictaturen hebben zij wel belang bij een gunstige publieke opinie in het westen. Ze willen immers hun broodheren in de Europese Unie van wie ze financieel en politiek afhankelijk zijn gunstig stemmen. Maar tegelijk zijn Palestijnse toppolitici ook autoritaire figuren die rond zich personeel verzamelen dat eerder aan hen zelf schatplichtig is in plaats van de Palestijnse zaak. Communicatieve vaardigheden zijn niet in eerste instantie wat je nodig hebt om het ver te brengen in de hiërarchie rond een autoritair leidersfiguur.

Vanaf hoofdstuk 8 gaat Luyendijk in op een aantal technische mechanismen die eigen zijn aan tv-verslaggeving en die in het nadeel spelen van elke journalist die het Midden-Oosten conflict diepgaand wil behandelen. Zo beschrijft hij de “wet van de schaar.” Een basismechanisme uit de televisiejournalistiek die de werkelijkheid op tv reduceert tot wat filmbaar is. De Israëlische propagandamachine weet het medium perfect te manipuleren en slaagt er steeds in het verhaal te laten primeren dat zij eruit willen halen Hij illustreert treffend met het relaas van een Palestijnse zelfmoordaanslag. Zoals steeds haalt de Israëlische propagandamachine er alles uit wat erin zit en maken de Palestijnse woordvoerders er een zootje van.

Een ander heikel punt in de verslaggeving is het woordgebruik. Luyendijk stelt zichzelf luidop de vraag of onpartijdigheid wel mogelijk is. Is Palestijns geweld het werk van terroristen of verzetstrijders? “Israëlische politici die een geweldloze oplossing zoeken zijn ‘duiven,’ hun Palestijnse tegenvoeters ‘gematigd,’ implicerend dat alle Palestijnen fanatiekelingen zijn.” Er is het asymmetrische woordgebruik: “Hamas is anti-Israëlisch, Joodse kolonisten zijn niet anti-Palestijns.” Er is Israël die zijn eigen underdogpositie voortdurend uitbuit. En er is de betekenisgeving van woorden die een toestand beschrijven die wij hier niet kennen: want een Vlaming kan zich niet voorstellen wat een ‘bezetting’ precies is. Evenmin als hij dat kan voor een dictatuur. Zonder echte beleving gedurende een betekenisvolle periode blijft het een abstract begrip. Overigens is het aantal correspondenten in de bezette gebieden bedroevend laag en werd Luyendijk door zijn collega’s sterk afgeraden om de stap te zetten: “Een journalist die zich beperkt tot de rol van doorgeefluik, schaart zich in feite aan de zijde van de partij die de nieuwsstroom het best naar haar hand weet te zetten.”
Dat verantwoordelijksbesef is helaas niet aan ieder correspondent gegeven.

Joris Luyendijk, aug. 2006 - Uitgeverij Podium, A’dam - ISBN 90 5759 316 5 (Deze recensie verschijnt in de maand oktober 2006 in het webzine Uit-pers)

Lees verder...

Monday, January 09, 2006

De kunst van het reizen. Van Alain De Botton

Een boek met zo’n naam, dat moet elke rechtgeaarde reiziger opvallen. Want reizen is natuurlijk een kunst. Of op zijn minst vergt het kundigheid. Kundigheid die je verwerft door ervaring maar vooral door een mix van aandacht, openheid en voortdurende bereidheid om te leren. Allemaal eigenschappen die pas echt tot hun recht komen als je voldoende tijd neemt voor de dingen, houdt de Botton ons voor.

Het leuke van Alain De Boton lezen, is steeds weer die ‘Aha-erlebnis,’ wanneer hij weer eens de vinger op de wonde legt en dan een treffende verklaring bedenkt voor de vraag die hij heeft opgeworpen. Steevast eindigt elke observatie met het gevoel dat je eindelijk een – al dan niet bevredigend – antwoord hebt gekregen op een vraag die je je zelf al vaak hebt gesteld. En dat kan een aangenaam gevoel zijn. Al is het natuurlijk ook weer niet zo simpel. Vaak gaat het om fundamentele vragen die niet zomaar met ‘ja’ of ‘nee’ uit de wereld geholpen zijn. Wat dacht je van de volgende gedachte: “Het gevaar van reizen is dat we dingen op het verkeerde moment zien, voordat we de kans hebben gehad de noodzakelijke ontvankelijkheid daarvoor te ontwikkelen...” (blz. 126). Een waarheid als een koe, tenminste zo voelt het aan, maar wat doe je er dan aan? De Botton gebruikt zijn grote belezenheid om elk antwoord te onderbouwen met een massa citaten van schrijvers, filosofen en levenskunstenaars allerhande. Op de hierboven aangehaalde vraag beveelt hij aan “een zekere mate van sympathie niet weg te steken voor al diegenen die soms, in fascinerende steden, worden overvallen door de sterke behoefte in bed te blijven en het volgende vliegtuig naar huis te nemen.” Met andere woorden, doseren is hier het sleutelbegrip. Je kan niet in alles geïnteresseerd zijn. En al kunnen nieuwe ervaringen interessant zijn, het heeft weinig zin ervaringen op elkaar te stapelen zonder ademruimte, zeker als je geen enkele voorafgaande affiniteit hebt met het onderwerp.

Ook de kwaliteit van de ervaring komt aan bod. Of hoe kunst daarbij kan helpen. Een mooi voorbeeld geeft De Botton wanneer hij naast de schilderij “olijfboomgaard” van Vincent Van Goch, een foto afdrukt van een, hoe kan het anders, Zuid-Franse olijfboomgaard. Die vergelijking illustreert perfect de stelling dat een schilderij een landschap veel waarheidsgetrouwer kan vastleggen als een foto. Van het canvas voel je letterlijk de Provençaalse zomerse hitte afstralen...
Nog een observatie die de Botton dit maal haalt bij John Ruskin, een 19e eeuws Engels schilder en estheet: “In plaats van het fotograferen te benutten als een aanvulling op het actieve, bewuste kijken, beschouwden ze het eerder als een alternatief daarvoor en schonken ze minder aandacht aan de wereld dan ze voordien gedaan hadden, in het vertrouwen dat ze zich die dankzij de foto automatisch toeeigenden.” Iedereen denkt nu vanzelf aan voortdurend fotograferende toeristen… John Ruskin was een vroege bewonderaar van de nieuwe fotografische technieken maar was heel erg op zijn hoede voor het perfide effect ervan: “Het fototoestel verdoezelt het onderscheid tussen kijken en opmerken, tussen zien en bezitten: het kan ons de mogelijkheid van ware kennis bieden maar ook onbedoeld het idee geven dat we met het nemen van een simpele foto al het werk hebben gedaan.” Misschien dat de digitale fotografie en zijn creatieve mogelijkheden hier weer de balans recht kunnen trekken. Tenslotte biedt een foto geen garantie van echtheid meer. Met een eenvoudige pc en de juiste programma’s kan iedereen die dat wil de realiteit vervormen, informatie weghalen en andere toevoegen. De relativiteit van het beeld kan langzaam tot mensen doordringen en daarmee ook de herwaardering van de ervaring zelf.

Eigenlijk is het hele boek terug te brengen tot één pleidooi: ‘ruimte voor aandacht!’ En dat is niet onzinnig in deze stressvolle tijden waarin we zowel voor onze arbeid als onze vrije tijd de lat steeds hoger leggen. Aandacht is een schaars goed geworden, want je moet er tijd voor vrij maken en alles wat ons afleidt een keer aan de kant schuiven.
Misschien is dat ook de reden dat mensen vaak ongelukkig zijn, omdat ze zelf te weinig aandacht krijgen? Al is dat weer een andere vraag. Meer hierover vind je nog in de Botton’s andere boeken: kijk op http://www.alaindebotton.com.

Lees verder...

Thursday, January 05, 2006

"Bevrijd de slaven" van David Hochschild

Vijf jaar na de publicatie van zijn boek over Leopold II en de plundering van de Congo brengt Hochschild nu het verhaal van de eerste grote mensenrechtencampagne uit de geschiedenis.
Met het boek over de drieste exploten van Leopold zette hij in ons land een heel proces van historische ontnuchtering in beweging. Er was duidelijk een buitenlander nodig om dit vakkundig weggemoffelde stuk vaderlandse geschiedenis eindelijk onder de aandacht te brengen van de Belgische goegemeente. In dat boek bracht hij hulde aan Edmund Dene Morel, een Brits journalist en activist die eind 19e eeuw vrijwel op zijn eentje een massale campagne opzette om de praktijken van de koning in Congo aan te klagen.

Nu heeft dezelfde auteur zich gewaagt aan een campagne die zich ruwweg 100 jaar vroeger afspeelde, die van de afschaffing van de slavernij. De abolitionisten, zoals ze genoemd werden, was een verzamelnaam voor iedereen die tegen de slavernij was. Maar er bestond wel degelijk een gecoördineerde campagne, opgezet door een 12-tal koppig comité dat een eerste keer samen kwam op 22 mei 1787. Slechts enkelen van hen zullen de verwezenlijking van hun streven meemaken. Dat is dan ook pas in 1833, wanneer het Britse parlement een wet aanneemt die slavernij verbied in het gehele Britse rijk, en dat was toen een flink stuk van de wereld.
Hochschild vertelt het verhaal van een campagne en een praktijk die toen een aanvaard onderdeel was van het internationaal economisch systeem. Maar hij analyseert ook. Waarom sloeg de campagne aan op bepaalde momenten en op andere niet? Wat was de rol van internationale politieke ontwikkelingen (vrnl. De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en de Franse revolutie). Dat alles levert interessante inzichten op voor de lezer.
Hochschilds verdienste is niet dat hij nieuwe wetenschappelijke inzichten ontwikkeld of onondekte historische bronnen naar boven haalt. Zijn verdienste is vooral dat hij een complex verhaal goed kan vertellen en aan de hand van authentieke stemmen de strijd die toen gestreden is op een empathische manier in beeld brengt en in zijn juiste perspectief plaatst voor een algemeen publiek. In een tijd van van overdaad aan informatie en vervagend historisch inzicht meer dan nodig. Tenslotte is het voor elk modern mensenrechten activist die wil beseffen waar hij of zij mee bezig is heel stimulerend om te weten wat zijn voorgangers zijn.

Lees verder...

Monday, November 14, 2005

De verdediging van de liefde - Gioconda Belli

Wederom een mooi verhaal van Gioconda Belli. En bovendien één waarmee je een belangrijk hoofdstuk van de (revolutionaire) geschiedenis van Latijns-Amerika mee hebt. Ik kocht het boek op de boekenbeurs op de stand van Amnesty International, deels om die organisatie te steunen, maar vooral omwille van de herinnering aan één van de betere leeservaringen uit mijn leven, nl. dat van de "bewoonde vrouw." Haar eerste roman, die vele prijzen kreeg, is als je eerste treinrit door een spectaculair tropisch landschap waarbij de vochtige wind je warm in het gezicht waait.

Dit boek is van een zelfde kaliber, hoe kan het ook anders voor een schrijfster die een belangrijke rol speelde in de Nicaraguaanse revolutie en die haar mandaat in de revolutionaire regering opzij zette omdat ze moest toegeven aan de innerlijke drang om te schrijven. Toegegeven: sommigen zullen haar stijl wat gezwollen vinden. Als je de Latijns-Amerikaanse traditie een beetje kent en weet te appreciëren kan je alleen maar genieten van de wervelwind van emoties, de opstoot van verontwaardiging bij het onrecht, het meegesleurd worden in het eeuwige verhaal van de vaart der volkeren.
Tot zover de inleiding. Want er valt nog wel wat meer te vertellen. Het zou voor iemand met de positie van Gioconda Belli eenvoudig geweest zijn om een triomfalistisch discours te bedrijven over de Sandinistische revolutie. En misschien had ze dat ook wel gedaan als het boek half de jaren '80 van de vorige eeuw was geschreven. Ondertussen is de droom vervlogen en is het kleine getormenteerde land weer het armste van het continent. De revolutie is verpletterd en uiteengevallen, deels door de zware voet van Uncle Sam en deels door het onvermogen van de Sandinistische leiding om haar project via maatschappelijke consensus te laten totstandkomen. Naar het einde van het boek toe schrijft Belli dat, ondanks alles, één van de verwezenlijkingen van de Sandinisten de eerste vrije verkiezingen van 1990 zijn. De revolutionairen van weleer verloren die weliswaar, maar ze gaven dat grootmoedig toe en borgen de wapens voor goed op. De verarmde bevolking droeg het Sandinisme berustend ten grave in de hoop dat de oorlogsellende nu eindelijk achter de rug was. En ja, de V.S. trok zich terug, de contra's stopten hun moorddadige geweld, Nicarugua leek op de goede weg. Als je nu door het land reist dan zie je echter alleen onbeschrijfelijke armoede en een hoofdstad die er nog steeds geamputeerd bij ligt na een aardbeving van ondertussen meer dan 30 jaar geleden (in 1972 werd het centrum van de stad weggevaagd).
De verdienste van dit boek is dat het ook de fouten beschrijft die gemaakt werden, en dat allemaal aan de hand van een levensverhaal dat er overal midden in stond. Belli was van het prille begin betrokken bij het jarenlange groeiproces van het Sandinisme, de vele pogingen om de dictatuur van Somosa onderuit te halen. Ze
was erbij toen de overwinning werd gevierd. Ze ervaarde aan de lijve wat het is om een nieuw staatsbestel van de grond op te bouwen. Ze ontmoette Fidel Castro en de legendarische Vietnamese generaal Vo Nguyen Giap die de laatste slag tegen de Noord-Amerikanen won. Ze sprak met, hoe kan het ook anders, Gabriël Garcia Marques en met een hele reeks linkse ikonen uit de beweging van de -toenmalige- ongebonden landen.
En ondertussen kreeg ze 3 kinderen en versleet ze vier mannen die elk een heel verschillende verhouding met haar hadden. Ze is bijna 40 als ze de liefde van haar leven ontmoet, de man bij wie ze eindelijk rust vind, nota bene een Gringo.
Zo'n leven kan enkel een opeenstapeling van moeilijkheden zijn. En dat is het ook, maar dan één waar de mooie en de tragische momenten aan hetzelfde zeel trekken. Een verhaal dat de persoonlijke twijfels en de fouten niet uit de weg gaat en dat precies daarom zo'n juiste titel heeft: "de verdediging van de liefde."

Lees verder...

Tuesday, June 29, 2004

« Ik wist niet dat de wereld zo klein was – Reisverslagen van een eerste globalisering » Lucas Catherine.

Eén van de leuke kanten aan een boek van Lucas Catherine is dat ik me op voorhand steeds weer kan verkneukelen op een flinke dosis leesplezier. Het gaat dan steeds om het vooruitzicht geamuseerd te worden door die unieke mix van “geschiedenis waar het zilt van de zee nog aankleeft” (dixit achterkaft) en een geëngageerde visie op de wereld. Dat alles gekruid door een nauwelijks verholen cynische ondertoon van Antwerpse humor.

L.C. heeft veel sympathie voor de Islamitische wereld. Omdat hij er enkele jaren gewoond heeft en omdat hij de geschiedenis ontzettend goed kent. Elke achterkaft eindigt steevast met de verklaring dat hij “zich beschouwt als een Arabier honoris causa.” Sinds het begin van zijn schrijverschap, de man heeft ondertussen al een tiental boeken op zijn naam staan, heeft hij de verdediging van de Islamitische wereld op zich genomen in een Europa dat steeds xenofober wordt en dat er nog steeds een zeer eurocentristische visie op de geschiedenis op na houdt. Een Europa dat als het ware de kruistochten nog steeds niet ontgroeide alhoewel we zoveel aan de Arabische wereld te danken hebben.

In dit boek vertelt de auteur niet zoveel zelf, maar laat hij reizigers uit het verleden aan het woord. En voor één keer niet alleen de Marco Polo’s en Vasco Da Gama’s uit onze Europese geschiedenis, maar ook vele voor ons onbekende reizigers die heel gedetailleerd hun omzwervingen beschreven. Dat levert heel wat leuke citaten op, zoals van een Chinese Islamiet die ergens in Centraal Azië Vikingen ontmoet en hun vreemde gebruiken beschrijft waarna hij er een persoonlijke appreciatie aan toe voegt: “ze zijn zo onzindelijk als ezels.” We lezen onder meer verslagen van Arabische handelaars, Chinese ambtenaren en intellectuelen uit Andaloesië. Ze leefden in een tijd (ca 800 tot 1500), die hun de mogelijkheid gaf ongehinderd en relatief veilig van Sevilla naar Peking te reizen. De auteur schrijft dit toe aan wat hij noemt het ‘moslimwereldsysteem,’ een globalisering avant la lettre, maar dan wel één zonder centrum en zonder verliezers.
Terwijl het versnipperde Europa zuchtte onder een primitief feodalisme versmolten alle grote handelsroutes uit het nabije en het verre oosten tot een groot wereldnet. Arabisch was de voertaal en je kon als handelaar of intellectueel vrij circuleren. Er gold een vrij verkeer van goederen en mensen en de vele culturen langs de zijderoutes beïnvloeden en bevruchtten elkaar vrijelijk. Steden waren omvangrijk en centra van cultuur en bestuur. Zowel in China als in de Arabische wereld bestond een sterk uitgebouwde overheidsadministratie die belastingen inde en de samenleving organiseerde op een haast ‘moderne’ manier, met de Islam als gemeenschappelijke ‘ideologie.’ Dit alles zegt overigens niets over de Arabische leiders van vandaag, want helaas blijft het hier huilen met de pet op, iets waarvan je de gewone Mohammed in de straat niet moet overtuigen.
Verassend voor de gemiddelde Europeaan, maar Marco Polo is wellicht zelfs nooit in China geweest. L.C. toont dat overtuigend aan, en verschillende historici zijn het met hem eens. De Vlaamse pater Willem Van Rubbroek daarentegen wel, hij liet gedetailleerde reisverslagen achter van onder meer zijn bezoek aan het hof van de Mongoolse Khan.
Spijtig voor ons als lezer, maar vooral ook voor ons begrip van de Arabische wereld, werden de rijke bibliotheken van Sevilla en Granada platgebrand tijdens de reconquista en gingen daarmee ontelbaar getuigenissen verloren van deze inspirerende periode in de geschiedenis.

Uitgegeven bij EPO, 2001

Lees verder...

Thursday, April 12, 2001

AFRICA, A biography of the Continent, John Reader

De roots van de mensheid liggen in Afrika. Dit briljante boek van John Reader geeft een panoramisch overzicht waarin hij de ontwikkeling van het enorme continent traceert. Vanaf de vroegste geologische ontstaansgeschiedenis en het begin van het leven, over de verspreiding van de ‘Homo Sapiens Sapiens,’ tot en met de vaak chaotische politieke situatie van vandaag. Hij onderzoekt de complexe, wijd verspreide en vaak erg verschillende samenlevingen van de grote riviermonden van de Niger en de Okavango, tot de regenwouden van de evenaar en de woestijnen in het noorden. Ook de ingrijpende impact van de Europese exploitatie van het continent op die samenlevingen komt aan bod, en de recente opgang van onafhankelijke staten.

Zodra de eerste hoofdstukken zich voor je ontrold hebben, en het begint je te dagen op welke schaal de auteur je heeft meegenomen door de tijd wil je niet meer stoppen. John Reader is schrijver en journalist met meer dan 40 jaar professionele ervaring, een groot deel daarvan in Afrika. Zijn schrijfstijl is helder en levendig, de reikwijdte indrukwekkend, en de schrijver heeft de journalistieke vaardigheden om je elke pagina te laten omslaan met nieuwe verwachtingen. Hij heeft bovendien de autoriteit om je te doen geloven wat je leest. En ondanks de schaal is wat er staat verfrissend openhartig en ongekunsteld, intens provocerend voor je grijze cellen ook.
Zo legt Reader uit hoe de wetenschap alle gronden van racisme effectief de grond onder de voeten weg heeft gehaald. Uit onderzoek blijkt dat er genetisch veel meer verschillen zijn tussen Afrikanen onderling dan tussen Aziatische, Indo-europese volkeren en diezelfde Afrikanen. Waarom? Omdat alle niet-Afrikanen afstammen van een beperkt aantal groepen die ca. 100.000 jaar geleden het continent, waar de wieg van de mensheid stond, verlieten. Toen de Portugezen in de vijftiende eeuw voet aan wal zetten in West Afrika, hadden ze geen idee dat ze eigenlijk waren ‘thuis gekomen.’ Als we dat bewustzijn nu eens wat meer konden koesteren…
Een bekend criticus had het over “één van de belangrijkste algemene overzichten over Afrika die de laatste decennia zijn uitgekomen.” En nog: “een must voor geïnteresseerde leken zowel als academici.” Niet overdreven. Dit boek boezemt ontzag in, en Afrika eens te meer.
De schrijver gaat in tegen vele misvattingen, en zijn verhelderende verhaal zal ongetwijfeld de manier veranderen waarop je dacht over Afrika.

Koen Stuyck

Deze uitgave: in het engels (nog geen Nederlandse vertaling voorhanden) - Uitgeverij: PENGUIN - ISBN 0-140-26675-5

Lees verder...

Monday, April 10, 2000

De bewoonde vrouw – Giocondo Belli

De dood is een onverbreekbaar deel van het leven. En soms is de dood ook een gift aan het leven, een noodzakelijk offer om het leven zijn waarde terug te geven die het ontnomen was door de ‘waarde-lozen,’ zij die alle integriteit en zin voor rechtvaardigheid verloren hebben. Latijns-Amerika is nog steeds een voortdurend strijdtoneel van individuen en groepen die trachten een menswaardig alternatief te vinden voor het lijden van de ontelbare volksmassa’s. Het is deze smeltkroes van volkeren, deze erfenis van de conquistadores, die nog steeds zucht onder het gewicht van een met tragiek beladen geschiedenis. Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben altijd getracht het raadsel van hun continent bloot te leggen. Octavio Paz, de Mexicaanse dichter deed dat op grootse wijze vanuit een uitgesproken poëtische optiek. Gioconda Belli, de Nicaraguaanse schrijfster die met haar boek “Dansen op de vulkaan” wereldwijd bijval oogstte, doet dat op haar manier met meeslepend en passioneel proza.

‘De bewoonde vrouw’ is een boek dat je vastgrijpt en meesleurt als in een mystieke rondedans waar de oude Indiaanse wortels uit hun onderhuids bestaan breken. Op de toon en het ritme van een hedendaags roert zich plots de geest van een verre voorouder in het onderbewustzijn van een jonge vrouw. Ze weeft haar oude gedachten langzaam en innemend – de lang vervlogen geschiedenis van een Indiaans verzetheld uit de tijd van de conquista vindt zijn weg naar de huidige wereld om te besluiten dat er nog niet veel veranderd is.
Lavinia, de bewoonde vrouw, maakt het proces van haar bewustwording door als een levend persoon met alle beperkingen en mogelijkheden die erbij horen. Het is geen eenvoudige opdracht die haar wordt opgedragen - de noodzaak is een harde leerschool en noodgedwongen moet ze van haar makkelijke inhoudsloze leventje afzien om te kiezen voor het échte leven. Daarbij het uiteindelijke doel indachtig, zijnde gerechtigheid.
Wie wil kan in dit boek een onmiskenbare sympathie voor de Sandinisten van Nicaragua herkennen maar de draagwijdte van het verhaal loopt van Baja California in Noord-Mexico tot Vuurland in het uiterste zuiden van het continent.
Even goed kan je het laten gebeuren dat ‘De Bewoonde Vrouw’ je binnen de kortste keren opslokt en meeneemt naar onzekere einders waarbij de reis belangrijker is dan het eindpunt (dat laatste is daarom niet minder dramatisch). Aan de toog van een Antilliaanse kroeg kon ondergetekende zelf ondervinden hoe, terwijl mensen op de tafel dansten, met de laatste bladzijde om te slaan de resten van een hete nacht oplosten in het vroege zonlicht.

Lees verder...

Wednesday, March 01, 2000

De geest van Koning Leopold II, en de plundering van de Congo; Adam Hochschild

De moslim filosoof Ibn Chaldoen schreef het reeds in de 14e eeuw: “Zij die veroverd zijn, willen de veroveraars altijd nabootsen in zijn voornaamste kenmerken – in zijn kleding, zijn ambachten en in al zijn onderscheidende eigenheden en gebruiken.” Hochschild eindigt zijn boek met de parallel tussen Mobutu en de ‘zwarte koning’ Leopold II, meer dan een eeuw vroeger. De eerste, Afrikaans dictator eerste klasse, werd op de troon geholpen door het postkoloniale België, de V.S. en de Verenigde Naties. Die historische putsch ging ten koste van legitiem verkozen leider Patrice Lumumba en van het Kongolese volk. Op het hoogtepunt van zijn macht schafte Mobutu zich een protserige villa aan, nota bene vlak bij de villa die Leopold bouwde aan de Franse Côte d’Azur. Op dat ogenblik was hij één van de rijkste mensen ter wereld (ook net als de Belgische koning eertijds) met een geschat vermogen van 4 miljard dollar.

In de categorie ‘reisboeken’ is “De geest van Leopold II” een bijzonder spannende reis door een onbekend stuk vaderlandse en Kongolese geschiedenis. Het toneel is, naast het ‘donkere’ binnenland van Kongo, de klassieke Atlantische driehoek - meer dan 50 jaar nadat de slavernij in de meeste kolonies officieel werd afgeschaft. Orgelpunt in die driehoek is Brussel, waar een gefrustreerde koning zich zelf al jaren zat op te geilen met dromen van een kolonie waar hij zijn machtswellust kon botvieren. Zijn ambities worden bezegeld in de conferentie van Berlijn in 1885 waar het Afrikaanse continent vakkundig werd verdeeld onder de Europese koloniale machten, in afwezigheid van ook maar één Afrikaan. Wanneer jaren later ene E.D. Morel, een Engelsman die voor een reder werkt, in de haven van Antwerpen een merkwaardige vaststelling doet, gaat een bal aan het rollen die zal uitgroeien tot de eerste grote mensenrechtencampagne van deze eeuw. In deze campagne speelden verschillende Afro-Amerikanen uit de V.S. een belangrijke rol, Washington was overigens één van de hoofdsteden waar Leopold de meeste moeite mee had om ze te overtuigen van zijn zg. goede bedoelingen met Kongo.
Morel had opgemerkt hoe er van Kongo alleen maar tonnen rubber en andere grondstoffen binnen kwamen, nooit gingen er andere goederen terug in de plaats. Nu was Morel een overtuigd voorstander van vrije handel onder de volkeren. “Ten tijde van de Congo-controverse honderd jaar geleden vormde de idee van volledige politieke, sociale en economische mensenrechten een ernstige bedreiging voor de gevestigde orde van de meeste landen op aarde. En dat is vandaag de dag nog steeds zo.” Dat laatste zinnetje is zeer belangrijk. Want daarmee trekt de auteur de lijn door, recht vanuit de donkere 19e eeuw met zijn vreselijke mistoestanden, die de basis vormen voor veel problemen vandaag. Vooral in Afrika.
En dan deze bewonderenswaardige man, deze Edmund Dene Morel is de geestelijke vader van het gedachtegoed dat meer dan een halve eeuw later zou leiden tot de oprichting van organisaties zoals Amnesty International. 100 jaar geleden reeds belichaamde hij het menselijk geweten en vermogen tot gerechtvaardigde verontwaardiging die aan de basis liggen van dat gedachtegoed.
Over het monster zelf, de zwarte prins die zijn eigen land, het onbeduidende koninkrijk België diep minachtte, zijn dochters verstootte en wiens hebzucht geen grenzen kende, kan je alleen maar verbijstering voelen. Alle paleizen die hij bouwde, een groot deel van het monumentale Brussel dat we nu kennen en zijn plannen voor een oprijlaan van Laken naar ‘zijn’ pompeuze badstad Oostende, ja, de koninklijke serres zelf. Dat alles is gebouwd op de rug van miljoenen rubberslaven die als kanonnenvlees figureerden in één van de belangrijkste misdaden in de geschiedenis van de mensheid. Eén van Leopold’s uitvoerders was Léon Rom, een ongemeen wreed figuur die hoogstwaarschijnlijk model stond voor de moordzuchtige Kurtz uit “Heart of Darkness” van Joseph Conrad één van de Afro-Amerikanen die in Congo terechtkwamen. Dit boek was en is nog steeds één van de vernietigendste aanklachten tegen het imperialisme in de gehele literatuur. De hallucinante figuur van Kurtz werd veel later gebruikt door Francis Ford Coppola in “Apocalypse Now.” Of hoe een historisch Belgisch kolonel hoofdpersoon kan worden in een film over Vietnam. De wreedheden waren en zijn nog steeds dezelfde. God zij dank zijn er mensen zoals E.D. Morel en de anderen. En gelukkig zijn er schrijvers die hun verhaal steeds opnieuw vertellen en de geschiedenis hun ware gelaat laten zien. Zoals Adam Hochschild. En zoals Ludo de Witte recent met de moord op Patrice Lumumba. Beide boeken zouden verplichte kost moeten zijn in elke Belgische klas geschiedenis.
De eerste vraag die opkomt na het lezen: wanneer gaat dit land zijn verontschuldigingen eens aanbieden aan het Kongolese volk?

Uitg. Meulenhof, Kritak

Lees verder...

Thursday, April 22, 1999

De spiegel van het paradijs - Mijn jaren bij de Orang-Utans van Borneo; Biruté M.F. Galdikas

Begin jaren zeventig zond de beroemde Britse antropoloog Louis Leakey drie van zijn studenten uit om de oorsprong van het menselijk ras te onderzoeken. Zij moesten te midden van de drie grote mensapen gaan leven. Deze vrouwelijke studenten waren Jane Goodall, Dian Fossey en Biruté Galdikas. Bij alle drie leidde hun wetenschappelijk onderzoek tot een diepgewortelde liefde voor de bestudeerde soort. Het verhaal van Biruté Galdikas is er één van vele ontberingen maar ook van prachtige ervaringen. De strijd naar bewustzijn bij de Indonesische autoriteiten is bijzonder moeizaam en maakt dat ze meer dan eens haar wetenschappelijke opdracht voorbij gaat.

“Als je een dier bestudeert, of een volk of zelfs een taal, die worstelt om te overleven, hoe kun je dan niet ingrijpen? Je studieobject de rus toekeren is negeren wat het betekent om mens te zijn: de essentie van het mens-zijn is het verlangen tot onbaatzuchtige betrokkenheid.”
Vanuit de optiek van deze gedreven veldwerkster die baanbrekend werk heeft verricht is die betrokkenheid wellicht inderdaad de belangrijkste drijfveer. Vandaar dat dit boek niet alleen over de Orang-Utans gaat, maar evenzeer over haar leven én over de kansen op een toekomstige duurzame ontwikkeling. Nog een bijzonder belangrijke observatie: “de idee dat de behoefte van de mens en de behoefte van dieren in het wild tegengesteld zijn, dat het helpen van de één, de ander schade berokkent, is een veel voorkomend misverstand.” Alles is verbonden met elkaar in de oneindige cirkelbeweging van leven en dood. Volgens de Dayak (inheemse stam op Borneo) is het leven slechts een onderbreking van de dood. Het wordt langzaam tijd dat de oude 19e eeuwse zienswijze die de mens boven de andere wezens plaatst op dit ruimteschip Aarde, terug zijn plaats inneemt waar ze thuishoort: op de bestofte rekken van de oude Europese Musea. Biruté Galdikas is, samen met haar twee andere vrouwelijke kompanen, de belichaming van een generatie wetenschappers die hun verantwoordelijkheid hebben opgenomen. En dat is precies wat de wereld nodig heeft. Werken aan de frontlinie van de milieubeweging biedt dan ook het bredere inzicht, dat meestal niet gegeven is aan de duizenden laboratorium-mollen die zich dagelijks onledig houden met heel kleine niches in de wetenschap. Als hun vergezicht al niet vertroebeld is door het najagen van korte termijn doelen met commerciële motieven, opgelegd door het militair-industrieel complex dat het woord ‘verantwoordelijkheid’ niet in haar vocabulaire heeft staan.
De tragische dood van Dian Fossey is een illustratie van wat er gebeurt als er een botsing plaats vind tussen beide krachten. En ook Biruté wijst de onverzadigbare wereldeconomie met de vinger, samen met de menselijke bevolkingsexplosie en de zg. ontwikkelingsprogramma’s en de machtstrijd die allemaal direct of indirect met het eerste te maken hebben. Natuurlijk, want het is de realiteit. Het zijn deze krachten die bezig zijn de wereld naar de bliksem te helpen, niet met het visuele spektakel van een vulkaanuitbarsting of een orkaan, maar eerder met het verspreide geschuifel van vele kleine aardverschuivingen en beursnoteringen. En het enige dat enigszins het tij kan keren is het bewustzijn van een snel expanderende publiek opinie.
Biruté blijkt ook een geboren verteller, ze gaat de strubbelingen uit haar privé-leven en dat van haar collega’s niet uit de weg. Als je zo intens leeft als deze vrouw, dan kunnen de grote conclusies niet uitblijven. “Door zichzelf te zijn dwongen de Orang-Utans me om in het reine te komen met mijn eigen menselijke natuur, met de zwakte van het mens zijn. Homo-sapiens is een sociabele soort.” Alhoewel de westerse mens in zijn absurde zucht naar individuele onafhankelijkheid zijn leven bestreeft probeert hij zonder het te beseffen te zijn zoals die andere mensaap: de Orang-Utan. En daarmee verloochent hij zijn eigen natuur want het is waar: ondanks de culturele verschillen tussen het westerse mensbeeld en dat van andere, meer rurale culturen, is en blijft onze soort afhankelijk van het sociale weefsel dat we zelf opgebouwd hebben. Bij de geboorte van elk nieuw kind verwelkomen we het nieuwe lid van de familie en nemen het op in de SAMEN-LEVING. We zijn allen lotgenoten die voor ons voortbestaan elkaar nodig hebben. Daar tegenover is de Orang-Utan een wezen dat essentieel alleen leeft en in zijn solitaire wereld veel kwetsbaarder is dan de mens. Of het altijd zo geweest is voor deze mensaap, of slechts een adaptatie aan zijn natuurlijke biotoop, dat vertelt Biruté niet. Het regenwoud van Borneo en Sumatra laat geen groepen van Urang Utans toe die dicht bij elkaar leven en samen moeten zien rondkomen met de beperkte voedselvoorraad van een gelimiteerd gebied in het woud. “Orang-Utans leren ons dat de belangrijkste verschillen tussen de mens en de verwante diersoorten niet de verschillen zijn die we denken.”
Ze eindigt met een verwijzing naar recente theoriën over de herkomst van de mens. Vast staat dat wij als soort veel jonger zijn. En het Christelijke scheppingsverhaal over de mens die uit het paradijs werd verdreven zou wel eens dichter bij de waarheid kunnen staan dan iemand had kunnen bevroeden. Het feit dat Eva in de appel beet is niet haar schuld, eerder die van een regionale geologische ramp. Maar alleszins heeft het ons met de verantwoordelijkheid opgezadeld waar de achterblijvers van toen hun onschuld bewaart hebben. De ogen van God zijn wellicht de hunne?
Het was een uitzonderlijke hete nacht in Noord-Borneo toen ik met spijt de laatste bladzijde omdraaide. In de tropische nacht, vanonder een klamboe, is je zicht beperkt tot de helle cirkel neonlicht die abrupt een einde neemt waar de dikke donkerte begint. Deze hele wereld van luid woekerend leven, ze heeft zich weer wat geliefder gemaakt bij deze lief-hebber.

Koen Stuyck

(uitg: Atlas - ISDN= 90-254-0959 8)

Lees verder...

Thursday, April 15, 1999

"Een barbaar in China" (Adriaan Van Dis)

Zijn bekende boek "De Indië-romans" stond al een tijdje in mijn boekenkast, tot nu toe ongelezen. Dit boekje is voor mij geen reportage in de strikte zin van het woord. Al voel ik me na het lezen weer wat rijker in de bovenkamer en bovendien literair bevredigd, twee gevoelens die tenslotte nog steeds de belangrijkste meerwaarde van een goed boek uitmaken. Maar laat ik toch even de puntjes op de i zetten, kwestie van een kader te schetsen waarbinnen mijn recensie zijn ankerpunten kan vinden:
Een journalistieke reportage biedt je overwegend meer achtergrond en is door de band geschreven vanuit een bepaalde invalshoek. De opzet bestaat erin een informatief beeld te schetsen, geschraagd door gedegen opzoekingswerk en relevante getuigenissen. (Het spreekt vanzelf dat een stukje 'veldwerk sfeer' hierbij nooit weg is en best een wezenlijk onderdeel kan vormen van de reportage). De gekozen invalshoek bepaalt voor een groot deel de keuze van de aangehaalde informatie en is doorgaans redelijk goed te omschrijven. Evidente reden hiervoor is de efficiëntie van de boodschap (door in te zoomen op een min of meer welomlijnd onderwerp verhoogt de informatieve waarde van het resultaat).

Een (literair) reisverhaal is iets helemaal anders. Hier staan de persoonlijke reisimpressies van de auteur centraal en speelt de verwoording van gesubjectiveerde indrukken een belangrijke rol. Omdat doorheen die caleidoscoop van persoonlijke gedachtenspinsels de persoonlijkheid van de auteur naar boven komt drijven. En met name de confrontatie met de vreemde cultuur die hem omringt op reis. Onvermijdelijk verplaatst ook de auteur zich in een cocon van eigen cultuurelementen en vooronderstellingen. En vermits zijn blik meestal die van een westerling is -zij het een begiftigd westerling met ontvankelijke geest en vaardige pen- vormt hij mee onze verruimde blik op de open wereld. Mijn overgrootvader was nooit ergens geweest en toch was hij één van de meest bereisde mensen die ik ken. Daarbij hoefde hij en passant geen vreemde culturen lastig te vallen met onwelvoeglijke westerse gewoonten. Maar hij bracht zijn reizen aan het haardvuur wel door in het illustere gezelschap van grote reizigers zoals Rimbaud of Byron.
Neen, de grens tussen beide categoriën is niet messcherp of éénduidig en een journalistieke reportage kan vaak literaire kwaliteiten ambiëren, maar toch moet er een overwegend informatieve bedoeling aan de grondslag liggen.
Een Barbaar in China dan. Adriaan van Dis is Nederlander, en dat merk je aan zijn stijl. Ik vind het sober geschreven, hij bedient zich niet van veel adjectieven. Neen, sec qua taal maar daarom wellicht des te zorgvuldiger is hij in het beschrijven van zijn omgeving. En het is precies die nauwgezetheid waarmee vele details op het juiste moment worden aangehaald die het verhaal een betrokkenheid verlenen die ik vaak mis bij de barokke teksten van sommige Vlaamse schrijvers. Je zit als het ware naast Dis op die Chinese trein. Je leeft mee met de conflicten waar de Westerse fascinatie voor efficiëntie botsen met de beruchte Chinese bureaucratie. Hier en daar tracht hij verklaringen te bedenken voor al die vreemde gedragingen. Daarbij laat hij zijn Hollands boerenverstand oordelen over het beeld van de Chinese maatschappij dat heerst onder Westerlingen en haalt hij de ideeën van 'gefascineerden' door die zelfde molen: "De Chinakenner wil dat ik het zie als een ander besef van tijd. Flauwekul! Het is communistische sloddervosserij (p. 48)" De inwoners van het grote China zijn een bont kleurenpalet van verschillende volkeren die alle hun gewoonten en handelswijzen hebben. De zelfvoldane volgzaamheid van de Han-Chinezen doet denken aan Orwell's arbeiderskaste in "1984".
Af en toe krijg je een geladen stukje waar hij een beklijvend beeld ophangt van een in China door-de-weekse gebeurtenis die elk Westers reiziger met afgrijzen doet vervullen: bedelkinderen langs de trein. Toch ook weer die korte zinnen. Maar de geladenheid komt uit de rake bewoordingen, het bijeengetrokken timbre van de uitspraken, de perfecte timing van persoonlijke bedenkingen die je mee de adem doen inhouden. "Ik deed niets, keek alleen maar en toen de trein stilhield gooide ik beschaamd mijn appels naar buiten. (p. 92)"
De verwijzingen naar de oude zijderoute geven het boek een grotere dimensie. Het zijn deze terloopse aanduidingen die je als lezer even hoog boven het reizende landschap verheffen, ze plaatsen alles in een groter geheel en bieden je een kortstondige blik op de eeuwige tijdlijn.. Ja, die lange lijn met kleine vertikale streepjes waarop hele beschavingen gebouwd werden en ten onder gingen. Vele schrijvers bedienen zich van gebeurtenissen uit de 'grote geschiedenis' om de kleine wereld onder hun ogen in perspectief te plaatsen. Van Dis doet het in beperkte mate, zijn verhaal duurt dan ook slechts 150 bladzijden.
Wat een boek rijk maakt is de kracht om bij een lezer verbanden op te roepen. Taal of inhoud moet een associatieve reflectie teweegbrengen. De laatste hoofdstukken van "Een barbaar in China" brachten mijn poëtisch geheugen in beweging. Wanneer Van Dis de Karakoram oversteekt wordt zijn tekst begiftigd met de onvergelijkbare melancholie van een lange eenzame busreis door vreemde streken. Literaire bevrediging, inderdaad.

Lees verder...